Bestuurder aansprakelijk voor vordering schuldeiser besloten vennootschap

Dit artikel is geschreven aan de hand van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 27 juni 2017 en is bedoeld ter illustratie van mogelijke externe aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap (BV).

Crediteur vordert terugbetaling lening plus rente van bestuurder

Een besloten vennootschap, Dexior Financial B.V. (hierna Dexior), richt zich op investeren in MKB bedrijven. Het betreft een zogenaamde private equity partij die rendement tracht te maken voor haar investeerders die de funding verzorgen. Om de activiteiten voort te kunnen zetten leent Dexior op 15 mei 2008 € 2.000.000,-. Deze lening dient op 15 september 2008 te zijn terugbetaald. Dat lukt niet en de lening wordt verlengd. Dexior gaat daarbij op 15 september 2008 een overbruggingskrediet aan. Het betreft een nieuwe lening van € 500.000,- van een andere partij (X) die twee maanden later op 15 november 2008 alweer moet zijn terugbetaald. Dit lukt echter ook niet en Dexior wordt medio 2009 failliet verklaard. X vordert als crediteur onder de geldleningsovereenkomst betaling van € 500.000,- plus rente van de bestuurder van Dexior (Y).

Schending Beklamelnorm en persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

Net als in het artikel bij het oudere arrest betreft het hier een veronderstelde schending van de Beklamelnorm (HR 6 oktober 1989 NJ 1990, 286) en de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder wegens een onrechtmatige daad. Bestuurder Y laat een geldleningsovereenkomst sluiten door Dexior terwijl zij op dat moment wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Dexior deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die X daardoor zou lijden.

Verweer: crisis oorzaak van niet betalen

Y verweert zich door te stellen dat de oorzaak van het niet kunnen betalen door Dexior haar oorzaak vindt in de wereldwijde crisis die rond dezelfde periode is uitgebroken. Het hof wordt erop gewezen dat de private equity markt, na de aankondiging dat er uitstel van betaling aan Lehmann Brothers was verleend, nagenoeg tot stilstand is gekomen.

Hof: vorderingen onvoldoende weerlegd

Het hof oordeelt dat de vorderingen hiermee onvoldoende zijn weerlegd. Op 15 september 2008 wist of behoorde bestuurder Y redelijkerwijs te begrijpen dat Dexior twee maanden later niet aan haar terugbetalingsverplichtingen jegens X zou kunnen voldoen.

Waar het korte tijdbestek tussen de afsluiten van de lening en het faillissement / het niet terugbetalen in het andere arrest op zich niet voldoende was, is dat in dit geval voorlopig afdoende. Het hof acht het niet aannemelijk dat er op 15 september 2008 voldoende zicht op funding voor Dexior was om de lening terug te betalen. Het hof neemt in aanmerking dat Dexior al jaren forse verliezen leed en dat de rendementen slecht of afwezig waren. Een betrokken adviseur spreekt kennelijk zelfs van een piramidespel. Volgens het hof verkeerde Dexior in september 2008 in grote financiële nood.

Beroep op de crisis niet altijd een uitweg

Uit het arrest kan worden afgeleid dat een beroep op de crisis niet altijd een uitweg is en dat de peildatum – in dit geval 15 september 2008 – van belang is. Y mag tegenbewijs leveren van haar stelling dat er voor Dexior op de peildatum wel reëel zicht op voldoende funding was om aan haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst te voldoen.

Wordt vervolgd dus.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht