Bestuurder niet aansprakelijk voor vordering schuldeiser besloten vennootschap

Dit artikel is geschreven aan de hand van een al ouder arrest van het hof (Gerechtshof Den Haag 24 juni 2014) en dient ter vergelijking met het artikel over een meer recent arrest van het hof. Het is bedoeld ter illustratie van de externe aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap (BV). Dit gaat over een crediteur van de BV die de bestuurder persoonlijk aanspreekt uit onrechtmatige daad. De aansprakelijkheid van de bestuurder wordt door het hof niet aanvaard. Verder is het arrest interessant omdat er tevens afgifte van de administratie van de BV werd gevorderd.

Geldleningsovereenkomst

Een BV die gevestigd was te Noordwijkerhout richtte zich op de im- en export van en groothandel en commissiehandel in snijbloemen. De onderneming behaalde met de handel in droogbloemen en planten een omzet over 2008 van € 1.658.207,-. Van een andere BV die gevestigd is te Hoofddorp (hierna “X”) leent zij op 12 februari 2008 € 200.000,-. De vordering is opeisbaar op 1 april 2011. Op 25 november 2008 wordt de BV echter op eigen aangifte failliet verklaard. Dit faillissement wordt op 11 mei 2012 opgeheven bij gebrek aan baten. De concurrente schuldeisers blijven dus achter met de onbetaalde vorderingen.

Vordering € 200.000 en afgifte administratie

X laat het er niet bij zitten. X vordert € 200.000,- plus rente van de bestuurders van de failliete BV en afgifte van de administratie om aan te tonen dat het van X geleende geld is ‘weggesluisd’. De curator was bereid inzage in de administratie te verlenen, maar de bestuurders van gefailleerde zouden dit hebben verhinderd. In eerste aanleg wijst de rechtbank de vorderingen af omdat X daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. X gaat in hoger beroep.

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

In feite gaat het hier om de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor een onrechtmatige daad. Volgens X hebben de bestuurders van de latere gefailleerde een geldleenovereenkomst gesloten, terwijl zij op dat moment al wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat de BV deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die X daardoor zou lijden. Het vermoeden van X is gebaseerd op de relatief korte periode tussen het aangaan van de geldleningsovereenkomst en het faillissement. De vordering tot afgifte van de administratie lijkt te zijn ingegeven door bewijsnood van X. Voor X geldt dat als blijkt dat geld is weggesluisd, het onrechtmatig handelen daarmee vast staat. Nu de bestuurders verhinderen dat X deze inzage verkrijgt, redeneert X dat zij vast iets te verbergen hebben.

Geen onbehoorlijk bestuur, maar teveel tegenslag

De bestuurders verweren zich door aan te voeren dat de oorzaak van het snelle faillissement na het sluiten van de geldlening de flinke daling van de bloemenprijzen vanaf de zomer van 2008 is. Verder voeren zij aan dat er vier inbraken in een half jaar tijd hebben plaatsgevonden waarbij computers, auto’s en de bloemen- en fustvoorraad zijn gestolen. Leveranciers en klanten brachten handel onder bij andere partijen en de vervoerder staakt in oktober 2008 de transporten. Dit is mede van belang omdat vanaf die periode (oktober, november en december) juist 40% van de jaaromzet gemaakt moet worden. De curator die het faillissement heeft afgewikkeld onderschrijft de oorzaak van het faillissement. Zijn conclusie is dat er geen sprake van onbehoorlijk bestuur is, maar dat er teveel tegenslag is geweest.

Hof: vermoedens crediteur voldoende weerlegd

Het hof oordeelt dat de vermoedens van X voldoende zijn weerlegd. Het korte tijdbestek tussen de afsluiten van de lening en het faillissement is een zogenaamde ‘hindsight’ conclusie. Het argument van de bestuurders dat zij vrezen voor nieuwe verwijten na het geven van inzage in de administratie wordt gevolgd. Dit kennelijk mede omdat zij al eerder fysiek zijn bedreigd gedurende de afwikkeling van het faillissement. Van belang is verder dat de betrokken curator de taak heeft – mede ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren – het rechtmatigheidsonderzoek uit voeren. Hierbij hoort het beoordelen van de bestuurders en zijn conclusie dat er geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur.

Onderbouwing vordering: niet met kennis van nu, maar naar situatie toen

Uit het arrest kan worden afgeleid dat een vordering tegen de bestuurders sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Crediteuren moeten proberen zich te verplaatsen in de situatie zoals die destijds was en zich niet laten leiden door de wetenschap van nu / achteraf. Er wordt terughoudend getoetst door de rechter en voor zover dat al niet altijd geldt moet de vordering heel goed onderbouwd worden.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht