Bestuurder niet veroordeeld tot betaling

In mijn vorige artikel is uiteengezet waarom de bestuurders van FanoFineFood wegens het geconstateerde onbehoorlijk bestuur € 5.000.000,- aan de curator moesten betalen. Ditmaal oordeelt de Hoge Raad dat de bestuurder niet gehouden is tot betaling aan de curator en legt nog eens uit hoe artikel 2:248 BW werkt (Hoge Raad 12 februari 2016 JOR 2016/223 ECLI:NL:HR:2016:233).

Jaarrekening te laat gedeponeerd

Het gaat hier om een BV waarmee een advocatenpraktijk werd gevoerd. Dit gebeurde samen met een andere advocaat waarbij de kosten werden gedeeld (een kostenmaatschap). De BV gaat failliet op 15 maart 2011 na een geschil met de verhuurder. De jaarrekening is te laat gedeponeerd door de bestuurder en hij wordt aansprakelijk gesteld door de curator ex artikel 2:248 lid 2 BW.

De bestuurder is het daar niet mee eens. Hij krijgt gelijk van de rechtbank, maar niet van het hof. De bestuurder gaat in cassatie. Zijn voornaamste verweer is dat er een belangrijke (andere) oorzaak is van het faillissement. De omzet van de andere advocaat in de kostenmaatschap bleef achter, waardoor de helft van de huur niet betaald werd. De bestuurder meende daarbij dat de BV slechts 50% van de huur verschuldigd was aan de verhuurder. Dat bleek uiteindelijk niet zo te zijn omdat de verhuurder de volle 100% bij de BV kon innen. Het hof oordeelde dat de bestuurder zicht op de omzet van de andere advocaat had of had kunnen hebben.

De Hoge Raad oordeelt echter dat het achterblijven van de omzet van de andere maat en het (daardoor) niet kunnen betalen van de andere 50% van de huur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het feit dat de bestuurder zicht of mogelijk zicht kon hebben op de omzet van zijn maat is zonder motivering onvoldoende voor onbehoorlijk bestuur. Verder kon de bestuurder in redelijkheid menen dat hij maar 50% van de huur hoefde te betalen.

Uitleg 2:248 lid 2 BW

Uit artikel 2:248 lid 2 BW volgt dat het schenden van de deponeringsplicht (zoals in dit arrest) of de administratieplicht (zoals in het arrest over FanoFineFood) onweerlegbaar leidt tot het tot het vermoeden van onbehoorlijke taakvervulling, dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Dit is behoudens tegenbewijs dat er een andere belangrijke oorzaak van het faillissement is. In dit geval is het achterblijven van de omzet van de andere maat en het daardoor onbetaald blijven van de 50% van de huur die belangrijke oorzaak van het faillissement.

Vervolgens is dan de vraag waarom die  andere oorzaak niet is voorkomen door de bestuurder van de BV. Hij moet onderbouwen waarom dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. De maatstaf voor onbehoorlijke taakvervulling volgt uit de jurisprudentie en luidt dat ‘geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld’. Er is meer voor nodig dan fouten, misrekeningen en achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen. Het moet eerder gaan om misbruik en onverantwoordelijk handelen in de wetenschap dat schuldeisers benadeeld worden.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht