Brussel I-bis Verordening vs Insolventieverordening: waar ligt de grens?

Wanneer wordt een vordering ingesteld in het kader van een faillissement? Behoort een vordering ingesteld te worden op grond van het burgerlijke of handelsrecht, of toch het insolventierecht? Burgerlijke en handelszaken vallen onder de Brussel I-bis Verordening, de opvolger van de EEX-Verordening. De (nieuwe) Insolventieverordening verschaft aan de rechter de bevoegdheid als een vordering op grond van het insolventierecht is ingesteld.

Werkingssfeer Brussel I-bis en Insolventieverordening

De Brussel I-bis Verordening en de Insolventieverordening sluiten op elkaar aan, waardoor een vordering altijd onder één van beide verordeningen valt. De uitleg van de term burgerlijke en handelszaken is ruim, waardoor de Brussel I-bis Verordening een ruime werkingssfeer kent. Het gevolg is dat de Insolventieverordening juist een beperkte uitleg kent.

Als een insolventieprocedure op grond van de Insolventieverordening is geopend, is de rechter bevoegd om kennis te nemen van vorderingen wanneer aan een dubbel criterium is voldaan. Het moet gaan om 1) een vordering die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeit en 2) daarmee nauw verband houdt. Het eerste criterium ziet op de vraag of het recht op grond waarvan de vordering wordt ingesteld voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijke recht en het handelsrecht, dan wel uit specifiek afwijkende regels voor insolventieprocedures. Het tweede criterium ziet op de intensiteit van het verband tussen de vordering en de insolventieprocedure.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het feit dat een curator partij is in de procedure niet voldoende is om te kunnen spreken van een vordering in een insolventieprocedure. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een crediteur ook na beëindiging van een insolventieprocedure een vordering had kunnen instellen die dan onder de rechterlijke bevoegdheid van de Brussel I-bis Verordening zou vallen. Het gegeven dat de crediteur de vordering instelt tijdens de insolventieprocedure heeft geen invloed op de rechterlijke bevoegdheid.

Daarnaast maakt het enkele feit dat een vordering zijn grondslag vindt in een bepaling die niet in de faillissementswet staat, nog niet dat die vordering niet rechtstreeks uit een insolventieprocedure kan voortvloeien en daarmee nauw verband houdt.

Arresten Hof van justitie

Het Hof van Justitie heeft eind 2017 twee arresten gewezen over de grens tussen de EEX-Verordening en de Insolventieverordening. Met de opvolgende verordening Brussel I-bis en de nieuwe Insolventieverordening is niet beoogd om de afbakeningsgrens tussen beide verordeningen te wijzigen. De door het Hof van Justitie gewezen arresten zijn daarom nog steeds relevant om te bepalen waar de grens ligt tussen de verordeningen.

Tünkers/Expert France

In het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2017 ging het om het volgende. Expert Maschinenbau heeft een exclusieve distributieovereenkomst gesloten met Expert France. Vervolgens komt Expert Maschinenbau in staat van faillissement en verkoopt de curator een bedrijfsonderdeel aan een dochter van Tünkers Maschinenbau (hierna Tünkers). Tünkers meldt aan Expert France dat zij voortaan de bestellingen zal leveren. Expert France ziet dit als een daad van oneerlijke mededinging, omdat zij een exclusieve distributieovereenkomst had gesloten met Expert Maschinenbau en niet met Tünkers. Expert France stelt een vordering in bij de Franse rechter. Tünkers standpunt is dat de rechter niet bevoegd is omdat de vordering rechtstreeks uit een insolventieprocedure zou voortvloeien en daarmee nauw was verbonden. De rechter verwerpt vervolgens het onbevoegdheidsverweer. De hoogste rechterlijke instantie schorst de zaak en dient een prejudiciële vraag ten aanzien van de bevoegdheid in bij het Hof van Justitie.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een vordering gebaseerd op een oneerlijke mededingingsdaad door aankoop van een bedrijfsonderdeel van de curator niet rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeit en ook geen nauw verband houdt. De door Expert France ingediende vordering ziet alleen op het verdedigen van haar eigen belang en niet op de belangen van alle schuldeisers. Daarom is de grondslag van de vordering niet gelegen in de regelgeving voor insolventieprocedures. Tevens houdt het recht geen rechtstreeks verband met het faillissement van Expert Maschinenbau, omdat het deel uitmaakt van het vermogen van Tünkers. Het beroep op de onbevoegdheid van de Franse rechter faalt.

Valach/Waldviertler

Op 20 december 2017 wijst het Hof nog een arrest over de afbakening tussen de twee verordeningen. In deze zaak gaat het om een Slowaakse vennootschap die te maken heeft met een saneringsprocedure, waarbij er een schuldeiserscomité wordt aangesteld. Aan dit schuldeiserscomité wordt een saneringsplan voorgelegd. Het schuldeiserscomité wijst het plan zonder nadere motivering af, met een faillissementsprocedure tot gevolg. Aandeelhouders en partijen die handelsbetrekkingen hebben met de vennootschap stellen zich op het standpunt dat zij door de afwijzing schade hebben geleden, doordat het schuldeiserscomité tekort is geschoten in het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van alle schuldeisers. Zij stellen een vordering in bij de Oostenrijkse rechter. De Oostenrijkse rechter verklaart zich onbevoegd.

De rechter die de insolventieprocedure heeft geopend, was in Valach/Waldviertler juist wel bevoegd om kennis te nemen van de ingestelde vordering. Het Hof van Justitie is van mening dat een vordering tegen een schuldeiserscomité wegens het niet handelen in het gezamenlijke belang van de schuldeisers een vordering is die aan de twee criteria voor een insolventieprocedure voldoet. Een vordering die is ingesteld wegens een tekortkoming door een schuldeiserscomité vloeit rechtstreeks voort uit een insolventieprocedure, omdat dit comité enkel wordt opgericht bij een insolventieprocedure. De beoordeling van de geldende verplichtingen voor het comité houdt daarnaast nauw verband met de insolventieprocedure. De Oostenrijkse rechter heeft zich volgens het Hof van Justitie dus terecht onbevoegd verklaard.

Beoordeling van het dubbel criterium nader uitgelegd

Met deze uitspraken is nadere invulling gegeven aan de beoordeling van het dubbel criterium. Bij het bepalen van de grondslag van de vordering kunnen de verdedigde belangen of de betrokken partijen een indicatie vormen om de toepasselijke verordening vast te stellen. Over enige tijd zal het Hof van Justitie zich ook uitlaten over de vraag onder welke verordening de Peeters/Gatzen-vordering valt. Naar aanleiding van deze uitspraak zal de afbakening van  de verordeningen nog meer verduidelijkt worden.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Anouk de Bert
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht,