Uitdagingen op de arbeidsmarkt

“Uitdagingen op de arbeidsmarkt”, welke ondernemer heeft daar nu niet mee te maken? Het is dan ook het thema van het 19e HMore Magazine. Vol trots bladerde . Anna Paternotte (SWDV Advocaten) bij de lancering bij Paul Bos door dit extra dikke magazine. In het eerste artikel gaat Lex Vonk (AM Match) met haar en Rik Balder (Boekuwzending.com) in gesprek over maatwerk in mensenwerk. Het team Arbeid van SWDV Advocaten (Suzanne van Thoor, Jeroen Dikker en René de Bondt) bespreekt op p. 91 de toekomst van het hybride werken en hoe werkgevers daarmee om kunnen gaan. Anna Paternotte vertelt zelf op p. 149 hoe Christian Hartsuiker en zij zich profileren op de arbeidsmarkt

Hebben we uw interesse gewekt en wilt u het HMore Magazine graag ontvangen? het magazine is prachtig en misstaat zeker niet op de leestafel! SWDV Advocaten stuurt u graag een exemplaar toe.

Bewaren van openbare orde bij drugshandel op straat

Wie is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom?

In een recente uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State helderheid gegeven over welk bestuursorgaan bevoegd is als tussen de constatering van een overtreding en het opleggen van de last onder dwangsom sprake is van tijdsverloop.

Last onder dwangsom

Er was drugshandel op straat geconstateerd. Ondanks deze constatering is aan de persoon die handelde in drugs niet onmiddellijk een last onder dwangsom opgelegd, maar werd pas enkele maanden nadat de constatering plaatsvond een last onder dwangsom opgelegd. De vraag die de Afdeling daarom diende te beantwoorden was of, door het tijdsverloop, er nog wel sprake was van feitelijk herstel van de openbare orde. Met het feitelijk herstellen van de openbare orde is gelet op artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet uitsluitend de burgemeester belast. Indien er geen sprake is van herstel van de openbare orde is het college van burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan voor het opleggen van een dergelijke last onder dwangsom.

In eerdere uitspraken oordeelde de Afdeling verschillend. In de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117, oordeelde de Afdeling dat de burgemeester bevoegd was en in de uitspraak van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:327,4 oordeelde de Afdeling juist dat het college het bevoegde bestuursorgaan was. Er was in dat laatste geval sprake van het vervoer van inbrekerswerktuig, waarbij er weken later een last onder dwangsom werd opgelegd.

Handhaving openbare orde kan ook na tijdsverloop

In deze recente uitspraak geeft de Afdeling duidelijkheid. De Afdeling overweegt nu: “In dit geval is het doel van de maatregel wel het herstellen en bewaren van de openbare orde. Uit de overgelegde krantenartikelen blijkt dat er al een jarenlang probleem is van drugsgebruikers die rondhangen in het Burgemeester In ‘t Veldpark. Het postvatten op de weg met het kennelijke doel om drugs te verhandelen is, anders dan het rondrijden met inbrekerswerktuigen, zichtbaar voor omstanders. Het effect op de openbare orde is bovendien groot, omdat het verhandelen van drugs een strafbaar feit is. Dat maakt dat het ook na een tijdsverloop van drie maanden nog steeds gaat om de feitelijke handhaving van de openbare orde.”.

Conclusie

Met deze motivering maakt de Afdeling duidelijk dat ook als het geconstateerde feit langere tijd geleden is gebeurd er nog sprake kan zijn van feitelijke handhaving van de openbare orde. Daarvan is in ieder geval sprake als de geconstateerde feiten zichtbaar waren voor omstanders en een groot effect op de openbare orde hebben.

Meer weten over dit onderwerp? Bij SWDV Advocaten helpen we u graag met uw vragen over bijvoorbeeld handhaving en ondermijning.

Overheid moet gelijke kansen bieden bij verkoop grond

Overheden mogen grond niet exclusief aan één partij aanbieden. Alle gegadigden moeten in een openbare biedingsprocedure de gelegenheid krijgen om te bieden op het perceel. Dat heeft de Hoge Raad recent geoordeeld. Hiermee slaat de Hoge Raad een nieuwe weg in. Tot aan dit arrest was het namelijk vaste rechtspraak dat overheden bij zuivere grondverkoop geen aanbestedingsplicht hebben.

Wat was er aan de hand?

De gemeente Montferland verkocht een perceel grond aan een projectontwikkelaar, terwijl er ook belangstelling voor het perceel was getoond door een vastgoedonderneming. De vastgoedonderneming was het met die verkoop dan ook niet eens. Hij vond dat het de gemeente niet vrij stond om het perceel één-op-één te verkopen aan de projectontwikkelaar, zonder hem de kans te geven om daar ook op te bieden. De rechtbank en het hof waren het niet met hem eens. Van de Hoge Raad kreeg de vastgoedonderneming wel gelijk. Het gelijkheidsbeginsel staat één-op-één verkoop van onroerende zaken door de overheid in de weg als er mogelijk meerdere serieuze gegadigden zijn voor de betreffende onroerende zaak.

Oordeel van de Hoge Raad

Het gelijkheidsbeginsel is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarmee moeten overheden ook rekening houden als zij hun privaatrechtelijke bevoegdheden uitoefenen, zoals het sluiten van een koopovereenkomst. Het gelijkheidsbeginsel brengt in dit geval met zich mee dat overheden die een onroerende zaak willen verkopen gelijke kansen moeten bieden aan alle gegadigden via een openbare selectieprocedure met selectiecriteria die objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Ook moeten overheden een ‘passende mate van openbaarheid’ verzekeren (transparantiebeginsel). Dat betekent dat zij  vooraf duidelijkheid moeten scheppen over de onroerende zaak die verkocht gaat worden, op basis van welke selectiecriteria dat gaat gebeuren, hoe de selectieprocedure eruitziet en wat het tijdschema is. De gemeente had daarom de vastgoedonderneming in de gelegenheid moeten stellen om mee te dingen naar het stuk grond.

Uitzondering mogelijk?

Alleen als op voorhand op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria duidelijk is dat er maar één serieuze gegadigde is, mag een openbare selectieprocedure achterwege blijven. Wel moeten overheden dan tijdig voorafgaand aan de verkoop die verkoop bekend maken zodat iedereen er kennis van kan nemen én motiveren waarom zij aannemen dat bij voorbaat vaststaat dat er slechts één gegadigde voor de verkoop in aanmerking komt.

De gevolgen voor de praktijk

Met dit arrest gelden er nieuwe regels voor de verkoop van onroerende zaken door de overheid. Het is van belang dat gemeenten zich dit realiseren, zodat voorkomen kan worden dat gegadigden achteraf van de rechter gelijk krijgen omdat zij door een één-op-één verkoop achter het net visten en geen gelijke kans kregen om te bieden op het perceel.

Heeft u vragen of heeft u advies nodig?

Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan contact op met Martijn Langhout.

Digitaal procederen stopt

Vanaf 1 oktober 2019 stopt het digitaal procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland.

Op 12 juli 2019 is de wet aangenomen die een einde maakt aan het digitaal procederen voor de civiele rechter bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. Bij alle rechtbanken geldt vanaf die datum hetzelfde burgerlijk procesrecht voor nieuwe zaken. Voor zaken waarin al digitaal geprocedeerd wordt, blijven de regels omtrent digitaal procederen nog van toepassing, tenzij daar andere afspraken over worden gemaakt door de rechter met de betrokken partijen. Bij de Hoge Raad blijft de verplichting tot digitaal procederen bestaan.

Met deze nieuwe wet gaat de vereenvoudiging van het civiele procesrecht wel door. Er worden al een paar inhoudelijke procesvernieuwingen voor alle rechtbanken verplicht. Zo krijgen rechters meer ruimte om regie te voeren. Hierdoor kan de rechter de mondelinge behandeling beter gaan afstemmen op de zaak en de partijen, om tot een duurzame oplossing van het geschil te komen.

Raad voor de rechtspraak > Nieuws > Eerste Kamer akkoord met procesvernieuwing in civiele zaken

Elektronische handtekening = handgeschreven handtekening?

Sinds de invoering van de eIDAS-Verordening op 29 september 2018 moeten publieke organisaties Europees erkende inlogmiddelen accepteren. Ook private partijen maken steeds vaker gebruik van de elektronische handtekening. Is deze digitale wijze van ondertekening gelijk aan de handgeschreven handtekening?

In zijn arrest van 14 juni 2019 oordeelt de Hoge Raad over de elektronische handtekening dat deze juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening wanneer deze handtekening met voldoende mate van betrouwbaarheid dezelfde functies vervult als een handgeschreven handtekening. Of de elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening, hangt af van de mate van getroffen waarborgen.

Elektronische handtekening

Als het gegevens in elektronische vorm betreft die aan andere gegevens zijn gehecht in digitale vorm, en die de ondertekenaar gebruikt om te ondertekenen, dan is er sprake van een elektronische handtekening.

Varianten elektronische handtekening

Er is een onderscheid te maken tussen de gekwalificeerde elektronische handtekening, de geavanceerde elektronische handtekening en andere elektronische handtekeningen.

Gekwalificeerde elektronische handtekening 

Een gekwalificeerde elektronische handtekening is een handtekening met een gekwalificeerd certificaat. Het certificaat wordt aan het oorspronkelijke document toegevoegd en verstrekt door een zogeheten certificatiedienstverlener. Dit betekent dat de gekwalificeerde elektronische handtekening juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening en daarom dezelfde rechtsgevolgen heeft.

Geavanceerde elektronische handtekening

Een geavanceerde elektronische handtekening is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden. Aan het bericht wordt een unieke code gekoppeld die het mogelijk maakt om de ondertekenaar te identificeren. De code is niet te gebruiken bij een vals bericht. Het vertrouwensniveau is hoog en elke wijziging van de gegevens achteraf kan worden opgespoord.

Andere elektronische handtekeningen

Bij een andere elektronische handtekening kan gedacht worden aan een gescande handtekening op papier die onder een e-mail staat of als afbeelding wordt verzonden. Deze variant van de elektronische handtekening is het eenvoudigst te vervalsen.

Geavanceerde- en andere elektronische handtekeningen hebben alleen dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening wanneer de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is gelet op het doel en de overige omstandigheden van het geval. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een gestempelde handtekening, omdat iedere persoon deze stempel kan zetten.

Geen ambtshalve toetsing

Het is aan partijen zelf om een onjuiste wijze van ondertekening aan de rechter voor te leggen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank niet ambtshalve hoeft te toetsen of de handtekening daadwerkelijk is geplaatst door de persoon in kwestie. De rechter toetst de wijze van ondertekening dus alleen wanneer hierover verweer wordt gevoerd.

Bestuurder niet aansprakelijk voor vordering schuldeiser besloten vennootschap

Dit artikel is geschreven aan de hand van een al ouder arrest van het hof (Gerechtshof Den Haag 24 juni 2014) en dient ter vergelijking met het artikel over een meer recent arrest van het hof. Het is bedoeld ter illustratie van de externe aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap (BV). Dit gaat over een crediteur van de BV die de bestuurder persoonlijk aanspreekt uit onrechtmatige daad. De aansprakelijkheid van de bestuurder wordt door het hof niet aanvaard. Verder is het arrest interessant omdat er tevens afgifte van de administratie van de BV werd gevorderd.

Geldleningsovereenkomst

Een BV die gevestigd was te Noordwijkerhout richtte zich op de im- en export van en groothandel en commissiehandel in snijbloemen. De onderneming behaalde met de handel in droogbloemen en planten een omzet over 2008 van € 1.658.207,-. Van een andere BV die gevestigd is te Hoofddorp (hierna “X”) leent zij op 12 februari 2008 € 200.000,-. De vordering is opeisbaar op 1 april 2011. Op 25 november 2008 wordt de BV echter op eigen aangifte failliet verklaard. Dit faillissement wordt op 11 mei 2012 opgeheven bij gebrek aan baten. De concurrente schuldeisers blijven dus achter met de onbetaalde vorderingen.

Vordering € 200.000 en afgifte administratie

X laat het er niet bij zitten. X vordert € 200.000,- plus rente van de bestuurders van de failliete BV en afgifte van de administratie om aan te tonen dat het van X geleende geld is ‘weggesluisd’. De curator was bereid inzage in de administratie te verlenen, maar de bestuurders van gefailleerde zouden dit hebben verhinderd. In eerste aanleg wijst de rechtbank de vorderingen af omdat X daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. X gaat in hoger beroep.

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

In feite gaat het hier om de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor een onrechtmatige daad. Volgens X hebben de bestuurders van de latere gefailleerde een geldleenovereenkomst gesloten, terwijl zij op dat moment al wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat de BV deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die X daardoor zou lijden. Het vermoeden van X is gebaseerd op de relatief korte periode tussen het aangaan van de geldleningsovereenkomst en het faillissement. De vordering tot afgifte van de administratie lijkt te zijn ingegeven door bewijsnood van X. Voor X geldt dat als blijkt dat geld is weggesluisd, het onrechtmatig handelen daarmee vast staat. Nu de bestuurders verhinderen dat X deze inzage verkrijgt, redeneert X dat zij vast iets te verbergen hebben.

Geen onbehoorlijk bestuur, maar teveel tegenslag

De bestuurders verweren zich door aan te voeren dat de oorzaak van het snelle faillissement na het sluiten van de geldlening de flinke daling van de bloemenprijzen vanaf de zomer van 2008 is. Verder voeren zij aan dat er vier inbraken in een half jaar tijd hebben plaatsgevonden waarbij computers, auto’s en de bloemen- en fustvoorraad zijn gestolen. Leveranciers en klanten brachten handel onder bij andere partijen en de vervoerder staakt in oktober 2008 de transporten. Dit is mede van belang omdat vanaf die periode (oktober, november en december) juist 40% van de jaaromzet gemaakt moet worden. De curator die het faillissement heeft afgewikkeld onderschrijft de oorzaak van het faillissement. Zijn conclusie is dat er geen sprake van onbehoorlijk bestuur is, maar dat er teveel tegenslag is geweest.

Hof: vermoedens crediteur voldoende weerlegd

Het hof oordeelt dat de vermoedens van X voldoende zijn weerlegd. Het korte tijdbestek tussen de afsluiten van de lening en het faillissement is een zogenaamde ‘hindsight’ conclusie. Het argument van de bestuurders dat zij vrezen voor nieuwe verwijten na het geven van inzage in de administratie wordt gevolgd. Dit kennelijk mede omdat zij al eerder fysiek zijn bedreigd gedurende de afwikkeling van het faillissement. Van belang is verder dat de betrokken curator de taak heeft – mede ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren – het rechtmatigheidsonderzoek uit voeren. Hierbij hoort het beoordelen van de bestuurders en zijn conclusie dat er geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur.

Onderbouwing vordering: niet met kennis van nu, maar naar situatie toen

Uit het arrest kan worden afgeleid dat een vordering tegen de bestuurders sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Crediteuren moeten proberen zich te verplaatsen in de situatie zoals die destijds was en zich niet laten leiden door de wetenschap van nu / achteraf. Er wordt terughoudend getoetst door de rechter en voor zover dat al niet altijd geldt moet de vordering heel goed onderbouwd worden.