Digitaal procederen stopt

Vanaf 1 oktober 2019 stopt het digitaal procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland.

Op 12 juli 2019 is de wet aangenomen die een einde maakt aan het digitaal procederen voor de civiele rechter bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. Bij alle rechtbanken geldt vanaf die datum hetzelfde burgerlijk procesrecht voor nieuwe zaken. Voor zaken waarin al digitaal geprocedeerd wordt, blijven de regels omtrent digitaal procederen nog van toepassing, tenzij daar andere afspraken over worden gemaakt door de rechter met de betrokken partijen. Bij de Hoge Raad blijft de verplichting tot digitaal procederen bestaan.

Met deze nieuwe wet gaat de vereenvoudiging van het civiele procesrecht wel door. Er worden al een paar inhoudelijke procesvernieuwingen voor alle rechtbanken verplicht. Zo krijgen rechters meer ruimte om regie te voeren. Hierdoor kan de rechter de mondelinge behandeling beter gaan afstemmen op de zaak en de partijen, om tot een duurzame oplossing van het geschil te komen.

Raad voor de rechtspraak > Nieuws > Eerste Kamer akkoord met procesvernieuwing in civiele zaken

Elektronische handtekening = handgeschreven handtekening?

Sinds de invoering van de eIDAS-Verordening op 29 september 2018 moeten publieke organisaties Europees erkende inlogmiddelen accepteren. Ook private partijen maken steeds vaker gebruik van de elektronische handtekening. Is deze digitale wijze van ondertekening gelijk aan de handgeschreven handtekening?

In zijn arrest van 14 juni 2019 oordeelt de Hoge Raad over de elektronische handtekening dat deze juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening wanneer deze handtekening met voldoende mate van betrouwbaarheid dezelfde functies vervult als een handgeschreven handtekening. Of de elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening, hangt af van de mate van getroffen waarborgen.

Elektronische handtekening

Als het gegevens in elektronische vorm betreft die aan andere gegevens zijn gehecht in digitale vorm, en die de ondertekenaar gebruikt om te ondertekenen, dan is er sprake van een elektronische handtekening.

Varianten elektronische handtekening

Er is een onderscheid te maken tussen de gekwalificeerde elektronische handtekening, de geavanceerde elektronische handtekening en andere elektronische handtekeningen.

Gekwalificeerde elektronische handtekening 

Een gekwalificeerde elektronische handtekening is een handtekening met een gekwalificeerd certificaat. Het certificaat wordt aan het oorspronkelijke document toegevoegd en verstrekt door een zogeheten certificatiedienstverlener. Dit betekent dat de gekwalificeerde elektronische handtekening juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening en daarom dezelfde rechtsgevolgen heeft.

Geavanceerde elektronische handtekening

Een geavanceerde elektronische handtekening is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden. Aan het bericht wordt een unieke code gekoppeld die het mogelijk maakt om de ondertekenaar te identificeren. De code is niet te gebruiken bij een vals bericht. Het vertrouwensniveau is hoog en elke wijziging van de gegevens achteraf kan worden opgespoord.

Andere elektronische handtekeningen

Bij een andere elektronische handtekening kan gedacht worden aan een gescande handtekening op papier die onder een e-mail staat of als afbeelding wordt verzonden. Deze variant van de elektronische handtekening is het eenvoudigst te vervalsen.

Geavanceerde- en andere elektronische handtekeningen hebben alleen dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening wanneer de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is gelet op het doel en de overige omstandigheden van het geval. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een gestempelde handtekening, omdat iedere persoon deze stempel kan zetten.

Geen ambtshalve toetsing

Het is aan partijen zelf om een onjuiste wijze van ondertekening aan de rechter voor te leggen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank niet ambtshalve hoeft te toetsen of de handtekening daadwerkelijk is geplaatst door de persoon in kwestie. De rechter toetst de wijze van ondertekening dus alleen wanneer hierover verweer wordt gevoerd.

Bestuurder niet aansprakelijk voor vordering schuldeiser besloten vennootschap

Dit artikel is geschreven aan de hand van een al ouder arrest van het hof (Gerechtshof Den Haag 24 juni 2014) en dient ter vergelijking met het artikel over een meer recent arrest van het hof. Het is bedoeld ter illustratie van de externe aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap (BV). Dit gaat over een crediteur van de BV die de bestuurder persoonlijk aanspreekt uit onrechtmatige daad. De aansprakelijkheid van de bestuurder wordt door het hof niet aanvaard. Verder is het arrest interessant omdat er tevens afgifte van de administratie van de BV werd gevorderd.

Geldleningsovereenkomst

Een BV die gevestigd was te Noordwijkerhout richtte zich op de im- en export van en groothandel en commissiehandel in snijbloemen. De onderneming behaalde met de handel in droogbloemen en planten een omzet over 2008 van € 1.658.207,-. Van een andere BV die gevestigd is te Hoofddorp (hierna “X”) leent zij op 12 februari 2008 € 200.000,-. De vordering is opeisbaar op 1 april 2011. Op 25 november 2008 wordt de BV echter op eigen aangifte failliet verklaard. Dit faillissement wordt op 11 mei 2012 opgeheven bij gebrek aan baten. De concurrente schuldeisers blijven dus achter met de onbetaalde vorderingen.

Vordering € 200.000 en afgifte administratie

X laat het er niet bij zitten. X vordert € 200.000,- plus rente van de bestuurders van de failliete BV en afgifte van de administratie om aan te tonen dat het van X geleende geld is ‘weggesluisd’. De curator was bereid inzage in de administratie te verlenen, maar de bestuurders van gefailleerde zouden dit hebben verhinderd. In eerste aanleg wijst de rechtbank de vorderingen af omdat X daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. X gaat in hoger beroep.

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

In feite gaat het hier om de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor een onrechtmatige daad. Volgens X hebben de bestuurders van de latere gefailleerde een geldleenovereenkomst gesloten, terwijl zij op dat moment al wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat de BV deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die X daardoor zou lijden. Het vermoeden van X is gebaseerd op de relatief korte periode tussen het aangaan van de geldleningsovereenkomst en het faillissement. De vordering tot afgifte van de administratie lijkt te zijn ingegeven door bewijsnood van X. Voor X geldt dat als blijkt dat geld is weggesluisd, het onrechtmatig handelen daarmee vast staat. Nu de bestuurders verhinderen dat X deze inzage verkrijgt, redeneert X dat zij vast iets te verbergen hebben.

Geen onbehoorlijk bestuur, maar teveel tegenslag

De bestuurders verweren zich door aan te voeren dat de oorzaak van het snelle faillissement na het sluiten van de geldlening de flinke daling van de bloemenprijzen vanaf de zomer van 2008 is. Verder voeren zij aan dat er vier inbraken in een half jaar tijd hebben plaatsgevonden waarbij computers, auto’s en de bloemen- en fustvoorraad zijn gestolen. Leveranciers en klanten brachten handel onder bij andere partijen en de vervoerder staakt in oktober 2008 de transporten. Dit is mede van belang omdat vanaf die periode (oktober, november en december) juist 40% van de jaaromzet gemaakt moet worden. De curator die het faillissement heeft afgewikkeld onderschrijft de oorzaak van het faillissement. Zijn conclusie is dat er geen sprake van onbehoorlijk bestuur is, maar dat er teveel tegenslag is geweest.

Hof: vermoedens crediteur voldoende weerlegd

Het hof oordeelt dat de vermoedens van X voldoende zijn weerlegd. Het korte tijdbestek tussen de afsluiten van de lening en het faillissement is een zogenaamde ‘hindsight’ conclusie. Het argument van de bestuurders dat zij vrezen voor nieuwe verwijten na het geven van inzage in de administratie wordt gevolgd. Dit kennelijk mede omdat zij al eerder fysiek zijn bedreigd gedurende de afwikkeling van het faillissement. Van belang is verder dat de betrokken curator de taak heeft – mede ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren – het rechtmatigheidsonderzoek uit voeren. Hierbij hoort het beoordelen van de bestuurders en zijn conclusie dat er geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur.

Onderbouwing vordering: niet met kennis van nu, maar naar situatie toen

Uit het arrest kan worden afgeleid dat een vordering tegen de bestuurders sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Crediteuren moeten proberen zich te verplaatsen in de situatie zoals die destijds was en zich niet laten leiden door de wetenschap van nu / achteraf. Er wordt terughoudend getoetst door de rechter en voor zover dat al niet altijd geldt moet de vordering heel goed onderbouwd worden.