Bestuurdersaansprakelijkheid – aanvulling op de Beklamelnorm

Dit artikel is geschreven aan de hand van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10344). Het betreft een aanvulling op de zogenaamde Beklamelnorm. Dit is een van de grondslagen voor externe bestuurdersaansprakelijkheid zoals dat is uitgemaakt in de jurisprudentie.

Bestuurder wordt aangesproken wegens onrechtmatige daad

In het kader van een projectontwikkeling moest de BV betalingen uitvoeren aan de partijen die eisers zijn in deze procedure. Voor het project was een financiering nodig, die echter niet werd verstrekt. Daardoor was de BV niet in staat te betalen. Vervolgens hebben de eisers de bestuurder van de BV persoonlijk aangesproken wegens een onrechtmatige daad.

Volgens de eisers is de bestuurder de overeenkomst aangegaan, terwijl zij op dat moment al wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de BV deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die eisers daardoor zouden lijden.

Rechtbank oordeelt: bestuurder slechts gedeeltelijk aansprakelijk

De rechtbank oordeelt dat de bestuurder aansprakelijk is, maar niet voor het gehele gevorderde bedrag. De eisers zijn volgens de rechtbank gedeeltelijk zelf schuldig aan het ontstaan van de schade ex artikel 6:101 BW.

De eisers gaan in hoger beroep.

Gerechtshof: geen sprake van onrechtmatig handelen door bestuurder

Het hof beoordeelt het geschil vanuit een andere hoek dan de rechtbank en komt tot een ander oordeel. In het kader van de Beklamelnorm geldt als uitgangspunt dat als een bestuurder beschikt over zodanige informatie dat hij weet of behoort te begrijpen dat de vennootschap de verplichtingen die aangegaan worden niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de daaruit voortvloeiende schade er sprake kan zijn van onrechtmatig handelen. Het hof overweegt daarbij echter dat als die informatie gedeeld wordt met de contractuele wederpartij voordat de overeenkomst wordt gesloten, er geen sprake is van onrechtmatig handelen.

Partijen beschikken over dezelfde kennis en er wordt door de bestuurder niet de indruk gewekt dat de BV de verplichtingen uit de overeenkomst zal kunnen nakomen terwijl zij al weet dat dit waarschijnlijk niet het geval is.

Het hof oordeelt dat de kennis die bij de bestuurder verondersteld wordt, ook aanwezig is geweest bij de eisers. Het aangaan van de overeenkomst was daarmee niet onrechtmatig en de vordering wordt afgewezen.

Aanvulling op de Beklamelnorm

Uit het arrest volgt een aanvulling op de Beklamelnorm in die zin dat er sprake moet zijn van een kennisverschil tussen de bestuurder en de contractpartij.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

BESTUURDER AANSPRAKELIJK VOOR VOLLEDIGE BOEDELTEKORT

Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat een bestuurder die slechts zes weken in functie is geweest, gehouden is tot betaling van het boedeltekort aan de curator (gerechtshof Den Haag 16 oktober 2018 JOR 2019/2 ECLI:NL:GHDHA:2018:2595).

Geen administratie en jaarrekeningen te laat gedeponeerd

De BV in kwestie is voorheen actief geweest in de uitzendbranche, maar is uiteindelijk gestaakt. Na een aandelenoverdracht is de BV misbruikt voor een btw fraude. De BV gaat failliet en de curator spreekt alle betrokkenen aan voor het boedeltekort ex artikel 2:248 BW. Er is geen administratie en de jaarrekeningen zijn te laat gedeponeerd. De rechtbank stelt de curator in het gelijk.

Onder de betrokkenen is ook de laatste bestuurder van de BV. Hij is maar zes weken bestuurder geweest, maar wordt door de rechtbank veroordeeld voor 50% van het boedeltekort. De bestuurder gaat in hoger beroep, maar wordt vervolgens alsnog voor de volle 100% aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort.

Uitleg 2:248 lid 2 BW

Het schenden van de deponeringsplicht en de administratieplicht leidt ex artikel 2:248 lid 2 BW onweerlegbaar tot onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van de BV. Het hof vermoedt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Er is daarbij de mogelijkheid van tegenbewijs door aan te tonen dat er sprake is van een andere belangrijke oorzaak van het faillissement, maar dat is in dit geval kennelijk niet gelukt.

Wat de bestuurder dan nog rest is een beroep te doen op de matigingsgrond van artikel 2:248 lid 4 BW en de korte periode dat hij bestuurder is geweest. Dit baat de bestuurder niet. Het gerechtshof rekent de bestuurder, naast het feit dat de jaarrekeningen te laat gedeponeerd waren, aan dat er geen administratie was toen hij de bestuurstaak op zich nam en dat hij vervolgens ook niet heeft geprobeerd om de administratie in handen te krijgen.

Deze uitspraak bevestigt nog maar eens dat het voeren van een deugdelijke administratie en het voldoen aan de administratieplicht ex artikel 2:10 BW een zeer belangrijke verantwoordelijkheid van het bestuur van een BV is. In geval van een faillissement kan dit in het uiterste geval dus tot volledige aansprakelijkheid voor het boedeltekort leiden.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.

SWDV Advocaten: nieuwe vestiging Purmerend en uitbreiding Vastgoedteam

Vanaf 1 februari 2019 opereren de advocaten van SWDV ook vanuit het prachtige kantoorpand aan de Plantsoengracht 6 in Purmerend. SWDV Advocaten is daarmee nu actief op drie locaties: Hoofddorp, Haarlem en Purmerend.

Karen Mels versterkt per 1 februari 2019 het Vastgoedteam van SWDV Advocaten vanuit Purmerend. Zij heeft ruim tien jaar ervaring als advocaat op het gebied van vastgoed- en huurrecht.

Sinds jaar en dag is SWDV een van de grote advocatenkantoren in de regio Noord-Holland voor ondernemers en overheden. Het kantoor richt zich op ondernemingsrecht, vastgoedrecht, arbeidsrecht en bestuursrecht, maar heeft ook specialisten in huis op het gebied van bijvoorbeeld onderwijsrecht en agri & bulbs.

SWDV Advocaten maakt het verschil, nu ook in Purmerend.

Verzet biedt grotere kans op vernietiging faillissementsvonnis

Bij het aanvragen van een faillissement moet de schuldenaar in de toestand verkeren dat hij is opgehouden te betalen en dient aan het pluraliteitsvereiste te zijn voldaan, er moeten minimaal twee schuldeisers zijn die ieder afzonderlijk een vordering hebben op de schuldenaar. De aanvrager van het faillissement heeft dus een steunvordering nodig. Indien het bestaan van de steunvordering niet vaststaat, omdat er in dat kader nog een procedure loopt, dan kan dit eventueel leiden tot vernietiging van de faillietverklaring. De schuldenaar kan in die situatie beter niet verschijnen en bij verstekvonnis failliet verklaard worden, zodat hij nog in verzet kan tegen de uitspraak. In hoger beroep heeft de schuldenaar een slechtere positie ten aanzien van de vernietiging van het faillissementsvonnis.

Steunvordering

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 28 september 2017 uitspraak gedaan over de vraag wanneer in het kader van een faillissementsaanvraag een ontnemingsvordering als steunvordering is aan te merken. Een vordering is aan te merken als steunvordering wanneer het een vordering betreft die ter verificatie kan worden ingediend (HR 11 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681). Hiervoor is vereist dat er enige indicatie is van de hoogte van de te verwachten vordering. Het ontstaansmoment van de vordering is van belang voor het summierlijk blijken van het bestaan van de vordering en het feit dat er geen feiten en omstandigheden werden gesteld op basis waarvan de betalingsverplichting zou komen te vervallen en het arrest geen stand zou houden.

In de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag deed de situatie zich voor dat de ontnemingsvordering (steunvordering) was gebaseerd op een opgelegde ontnemingsmaatregel waartegen een procedure liep. Ook in het geval er een procedure loopt tegen de oplegging van de ontnemingsmaatregel, kan de ontnemingsvordering dienen als steunvordering. De vordering kan immers ter verificatie worden ingediend.

Recht om te worden gehoord

Bij de behandeling van een faillissementsaanvraag zal de rechtbank de schuldenaar of de bestuurder van de schuldenaar eerst willen horen. Dit met het oog op de ingrijpende gevolgen die een faillietverklaring met zich meebrengt. De schuldenaar kan besluiten niet te verschijnen op de zitting. Wanneer een schuldenaar niet is verschenen en bij verstekvonnis failliet is verklaard, dan biedt de rechtbank de schuldenaar alsnog de gelegenheid verweer te voeren als hij in verzet komt tegen de faillietverklaring. Indien de schuldenaar wel aanwezig was ten tijde van de faillietverklaring, dan moet hij hoger beroep instellen tegen de faillissementsuitspraak.

Het uitgangspunt bij een faillissementsaanvraag is dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep of verzet, de rechtbank ex nunc toetst of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Dit betekent dat de rechter onderzoekt of de faillissementsaanvrager een vordering heeft op de schuldenaar op het moment van de zitting. In het arrest Hesco Fashion/Freudenberg Vliesstoffe is een nuancering aanvaard op het uitgangspunt dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep of verzet, de rechter ex nunc moet toetsen aan de vereisten voor faillietverklaring. Als het faillissement eenmaal is uitgesproken, kan geen vernietiging plaatsvinden op grond van voldoening of betwisting van de vordering van de aanvrager. De staat van faillissement bepaalt de rechtspositie van alle schuldeisers. De mogelijkheid tot vernietiging is niet enkel afhankelijk van de aanvrager van het faillissement De Hoge Raad bepaalt echter in het arrest HSK/Bosma dat deze nuancering enkel geldt wanneer de schuldenaar bij de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord en vervolgens nadat hij in staat van faillissement is verklaard daartegen beroep instelt op grond van artikel 8 lid 1 Faillissementswet. De nuancering uit Hesco Fashion/Freudenberg Vliesstoffe is dus expliciet niet van toepassing wanneer de schuldenaar verzet instelt tegen het faillissementsvonnis. In verzet kan de failliet wel met succes de faillietverklaring laten vernietigen door de vordering van de aanvrager te voldoen of inhoudelijk te betwisten. De achterliggende gedachte bij verzet is, anders dan bij hoger beroep, om het geding op tegenspraak bij dezelfde instantie voort te zetten. Het biedt de schuldenaar de mogelijkheid om alsnog zijn belangen te verdedigen.

Vernietiging faillissementsvonnis

Het al dan niet verschijnen als schuldenaar bij de faillissementszitting kan bepalend zijn bij de kans op vernietiging van het faillissementsvonnis. Stel dat de schuldenaar zich verweert met de stelling dat de aanvrager niet over de bevoegdheid beschikt om het faillissement aan te vragen, doordat zijn vordering, dan wel de steunvordering niet (langer) bestaat. Bijvoorbeeld doordat deze steunvordering inmiddels door een derde is voldaan. In de situatie dat de schuldenaar is verschenen op de faillissementszitting en het faillissement is uitgesproken, dan kan hij in hoger beroep gaan tegen de uitspraak. In hoger beroep is de nuancering uit Hesco Fashion/Freudenberg Vliesstoffe van toepassing en zal de schuldenaar bij dat verweer geen baat hebben. De rechtspositie van alle schuldeisers is op dat moment van belang en vernietiging van het faillissementsvonnis is niet enkel afhankelijk van de aanvrager. Echter, wanneer de schuldenaar niet is verschenen op de faillissementszitting en hij bij verstek failliet is verklaard, dan zal dit verweer wel baat kunnen hebben als de schuldenaar in verzet gaat tegen de faillietverklaring. De mogelijkheid van vernietiging is dan afhankelijk van de vordering van de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd.

Conclusie: 

Concluderend kan gesteld worden dat de rechtbank bij verzet moet onderzoeken of de aanvrager van het faillissement nog een vordering heeft op de schuldenaar op het moment van de verzetszitting. De toetsing geschiedt ex nunc, op basis van de feiten die ten tijde van de beslissing van de rechter gelden. De schuldenaar die nog niet is gehoord, moet de kans krijgen om aan te tonen dat de aanvrager niet bevoegd is om het faillissement aan te vragen en kan aan het faillissement ontkomen door de aanvragende schuldeiser te betalen, de steunvordering te voldoen of doordat de steunvordering vervalt wegens een rechterlijke uitspraak. De schuldenaar die hoger beroep instelt kan, anders dan de schuldenaar die in verzet komt, niet met succes het faillissementsvonnis laten vernietigen door uitsluitend voldoening of het tenietgaan van de (steun)vordering. In hoger beroep bepaalt de staat van faillissement de rechtspositie en moeten ook alle andere schuldeisers bij een mogelijke vernietiging van het faillissementsvonnis betrokken worden. De schuldenaar die niet verschijnt heeft een gunstigere positie en grotere kans op vernietiging van het faillissementsvonnis.

SecurCash toch failliet, wat moeten de werknemers doen?

De rechtbank heeft inmiddels toch het faillissement uitgesproken van SecurCash.

De curatoren zullen de werknemers hoogstwaarschijnlijk snel ontslaan. Als SecurCash het faillissement vooral heeft gebruikt om van het personeel af te komen, kunnen de werknemers met succes tegen hun ontslag bezwaar maken. De termijn daarvoor is slechts vijf dagen. De voorgeschiedenis geeft voor de werknemers aanleiding om dat in ieder geval serieus te overwegen.

Als er geen bezwaar wordt gemaakt tegen het ontslag of als het bezwaar wordt afgewezen, zal het UWV de loonvorderingen overnemen voor de periode van 13 weken vóór het faillissement en over de opzegtermijn. De opzegtermijn is voor de meeste werknemers één maand. Vakantiegeld en vakantiedagen worden vergoed over een periode van maximaal jaar vóór het faillissement. In de praktijk krijgen de meeste werknemers daarom hun loonvordering betaald door het UWV.

Voor de overige vorderingen geldt meestal alleen nog de mogelijkheid om die bij de curator in te dienen.
De praktijk leert dat betaling van de in het faillissement ingediende vorderingen zeldzaam is, maar niet uitgesloten. Dien een vordering dus wel in bij de curator.

Heropening vereffening besloten vennootschap

In het arrest van 19 april 2018 oordeelt het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch over een vordering op de vereffenaar als bate van een eerder ontbonden BV. (ECLI:NL:GHSHE:2018:1659)

Ontbinding houdstermaatschappij en vereffening

De BV fungeert als houdstermaatschappij van een BV die actief is in de vis- en oesterbranche. De BV is een joint venture van twee broers die door verschillende andere entiteiten de aandelen houden.

De KvK ontbindt op zeker moment de houdstermaatschappij. De BV had de bijdrage aan de KvK niet betaald en er werden geen jaarrekeningen gedeponeerd. De verplichting tot betaling van de bijdrage aan de KvK bestaat  overigens niet meer. Voor een ontbinding van de BV is tevens van belang om vast te stellen of deze BV nog activiteiten heeft. Dit is voor het besluit tot de ontbinding kennelijk niet vastgesteld, terwijl de BV nog wel actief was.

Het vermogen van de BV wordt hoe dan ook toch vereffend door een vereffenaar. Als de vereffenaar zijn werkzaamheden heeft afgerond resteert er volgens de vereffenaar geen batig saldo voor de aandeelhouders.

Verzoek heropening ex art. 2:23c BW

Een van de twee broers is het hier niet mee eens. Deze meent dat er sprake is van een bate en verzoekt heropening ex artikel 2:23c BW. De bate zou bestaan uit een mogelijke vordering op de vereffenaar.

De rechtbank wijst het verzoek tot heropening van de vereffening van de BV af, omdat de door de verzoeker gestelde bate niet kon voortkomen uit of samenhangen met de vereffening zelf. Deze zou moeten zien op de periode voor de ontbinding van de BV.

De verzoeker gaat in hoger beroep.

Nagekomen bate kan ontstaan tijdens vereffening

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en oordeelt dat een nagekomen bate ook kan ontstaan tijdens de vereffeningsprocedure. Hierbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan een vordering wegens onrechtmatig handelen van de vereffenaar.

Het lijkt er – kort samengevat – op dat de BV “leeg is gemaakt”, doordat de activa aan de ontbonden BV zijn onttrokken en de broer die het verzoek heeft gedaan tot de heropening daardoor benadeeld is. De aandelen van de BV werden bijvoorbeeld gewaardeerd op nihil en door de vereffenaar overgedragen, terwijl deze aandelen in ieder geval enige waarde leken te vertegenwoordigen.

Het hof acht de mogelijke aansprakelijkheid van de vereffenaar gelet op deze omstandigheden aannemelijk (of niet direct onaannemelijk), heropent de vereffening en benoemt een andere vereffenaar.

Vragen over vereffening, (potentiële) baten en aansprakelijkheid vertegenwoordiger van een B.V.? Stel deze aan Sebastiaan van Leeuwen.

Persoonlijk ernstig verwijt bestuurder trustmaatschappij

Artikel 2:11 BW

In 2017 oordeelde de Hoge Raad over een bestuurder van een holding en zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg van een onrechtmatige daad van de holding waar hij bestuurder van was (ECLI:NL:HR:2017:275). Deze aansprakelijkheid volgde uit artikel 2:11 BW. De bestuurder van een holding is via dat artikel in beginsel hoofdelijk aansprakelijk als wordt vastgesteld dat de holding als bestuurder aansprakelijk is.

De ratio van artikel 2:11 BW is dat een natuurlijk persoon zich niet achter zijn holding kan verschuilen bij benadeling van een crediteur in geval van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit geldt ook bij aansprakelijkheid die gebaseerd is op een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Er geldt niet de aanvullende eis dat de crediteur stelt en bewijst dat ook de natuurlijke persoon een persoonlijk ernstig verwijt treft.

Dit keer oordeelt de Hoge Raad dat, als artikel 2:11 BW niet van toepassing is, er sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt voor iedere bestuurder afzonderlijk (Hoge Raad 30 maart 2018 ECLI:NL:HR:2018:470).

Waarom worden de bestuurders aansprakelijk gesteld?

De activiteiten van de onderneming betroffen de ontwikkeling van een resort met appartementen in de Dominicaanse Republiek. Ten behoeve van deze activiteiten zijn er door de aandeelhouder(s) diverse vennootschappen opgericht. De trustmaatschappij was bestuurder van een aantal van deze vennootschappen samen met een andere bestuurder (tevens aandeelhouder). Voor de financiering is een beroep gedaan op beleggers. De ontwikkeling gaat uiteindelijk niet door en de beleggers zijn boos, omdat zij hun geld kwijt zijn en stellen de twee bestuurders aansprakelijk.

Het oordeel van de rechtbank, het hof en de hoge raad

De Rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen af. Het Gerechtshof Amsterdam wijst de vorderingen jegens de ene bestuurder toe, maar acht de trustmaatschappij niet aansprakelijk. Er wordt cassatie ingesteld. Volgens de beleggers had de trustmaatschappij het onrechtmatig handelen van de andere bestuurder moeten voorkomen. De bestuurders zijn aansprakelijk als gevolg van het schenden van wettelijke regels door de BV. Volgens eisers geldt hier de collegialiteit van bestuur (populair gezegd: de ene bestuurder aansprakelijk, betekent ook de andere bestuurder aansprakelijk).

Geen persoonlijk ernstig verwijt voor individuele bestuurder

De regels voor externe aansprakelijkheid van bestuurders gelden ook als een trustmaatschappij bestuurder is. De collegialiteit van bestuur waaruit in feite hoofdelijke aansprakelijkheid van het bestuur volgt, geldt niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid. Schending van een wettelijk voorschrift door de bestuurder kan in beginsel tot (interne) aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de BV leiden. Bij aansprakelijkheid jegens externe crediteuren, geldt het uitgangspunt dat de individuele bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Verzoek bijeenroepen AVA door meerderheidsaandeelhouder

Een eerder artikel, geschreven naar aanleiding van het vonnis in PPG/Akzo Nobel, betrof de bevoegdheid van aandeelhouders om een verzoek te doen aan het bestuur om een algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) bijeen te roepen.

Bij een weigering van het bestuur om aan dat verzoek te voldoen, kan de aandeelhouder zich tot de voorzieningenrechter wenden. Dit artikel gaat over een verzoek om een AvA bijeen te roepen dat door de voorzieningenrechter niet wordt gehonoreerd (VZ Rechtbank Noord-Nederland 28 juni 2018 ECLI:NL:RBNNE:2018:2477).

Feiten

Cranberry Terschelling BV (hierna de BV) houdt zich bezig met productie en verkoop van cranberries. Er zijn twee aandeelhouders. Woestduin houdt 67,5% van de aandelen in de BV. Een zekere “A” houdt 32,5% van de aandelen in de BV. Een zekere “Y” is bestuurder van de BV. Woestduin wil dat Y ontslagen wordt als bestuurder.

Het ontslag van Y waar tijdens een eerste AvA over is gestemd, gaat uiteindelijk niet door. Woestduin wil dat het bestuur een nieuwe AvA bijeenroept om Y alsnog te kunnen ontslaan.

Aan de wens tot het ontslag van Y ligt feitelijk een conflict tussen de aandeelhouders van de BV ten grondslag. Er was een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Woestduin heeft ingevolge die overeenkomst zelf om bemiddeling in het geschil tussen de aandeelhouders verzocht. Echter, Woestduin doet – terwijl de bemiddeling nog loopt – een verzoek aan de voorzieningenrechter tot machtiging om een AvA bijeen te roepen.

Aandeelhoudersovereenkomst, bemiddeling en belang vennootschap

De rechter moet deze machtiging ex artikel 2:220 en 2:221 lid 1 BW verlenen als summierlijk blijkt dat de aandeelhouder minimaal 1% van de aandelen houdt, een “redelijk belang” bij het verzoek heeft en onder een nauwkeurige opgave van de onderwerpen van de AvA. Een reden om het verzoek af te wijzen is een zwaarwegend belang van de BV dat zich tegen het verlenen van de machtiging verzet.

Oordeel: zwaarwegend belang verzet zich tegen afgifte machtiging

Woestduin is meerderheidsaandeelhouder en houdt veel meer dan 1% van de aandelen. Het gewenste ontslag van Y als bestuurder van de BV is een duidelijk agendapunt en geldt tevens als een redelijk belang van Woestduin. Aan de vereisten is dus voldaan, maar de rechter oordeelt dat een zwaarwegend belang van de vennootschap zich verzet tegen het geven van de machtiging.

In de beoordeling wordt betrokken dat Woestduin zelf om bemiddeling heeft gevraagd en dat deze nog loopt. Als er nu een ontslag van Y zou volgen dan doorkruist dit de bemiddeling. De rechter heeft bij het belang van de BV mede oog voor de familiebanden en de gevolgen die een ontslag van Y voor samenwerking binnen de BV zou hebben. Het verzoek van Woestduin wordt daarom afgewezen.

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ BV of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.

Impasse binnen B.V.’s en voorzieningen rechter

Dit artikel gaat over een tweetal uitspraken en het treffen van voorzieningen door de rechter om de impasse die is ontstaan bij de desbetreffende ondernemingen te doorbreken.

De uitspraken

Geschil A betreft een man en een vrouw die beiden 50% van de aandelen in een B.V. houden en samen bestuurder zijn (Gerechtshof Amsterdam (OK) 22 maart 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:1073).

Geschil B betreft twee in het buitenland gevestigde vennootschappen die aandeelhouder en samen bestuurder zijn van een B.V. Een van de twee aandeelhouders heeft geen bestuurder meer (VZ Rechtbank Amsterdam 20 februari 2018 ECLI:NL:RBAMS:2018:1166).

Impasse en vordering benoeming derde bestuurder

In geschil A heeft de man aan de vrouw de toegang tot de onderneming ontzegd en doet de man privé uitgaven ten laste van de onderneming. De B.V. heeft financiële problemen en er wordt een te hoge vergoeding aan het bestuur betaald. Er moeten maatregelen getroffen worden binnen de onderneming, maar door de impasse die is ontstaan (mede) als gevolg van de problemen binnen het huwelijk van de man en de vrouw, gebeurt dit kennelijk niet.

In geschil B heeft een familieruzie ertoe geleid dat er geen bestuurder meer is van de vennootschap die aandeelhouder van de BV is. Feitelijk wordt de B.V. hierdoor niet bestuurd en is er daardoor een impasse ontstaan.

In beide procedures vorderen aandeelhouders dat er een derde bestuurder wordt benoemd door de rechter.

Voorzieningen door voorzieningenrechter en ondernemingskamer

In beide procedures wordt bij de desbetreffende B.V. een derde bestuurder benoemd.
In geschil B krijgt de derde bestuurder de aanwijzing van de voorzieningenrechter om een oplossing voor de impasse te onderzoeken.
In geschil A geeft de Ondernemingskamer de derde bestuurder de meer concrete aanwijzingen om de vergoeding voor het bestuur aan te passen, de privé uitgaven te stoppen en de schulden, die in rekening-courant zijn ontstaan, terug te dringen.

 

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ B.V. of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Bestuursverbod voor maximale duur opgelegd

Bestuursverbod voor de duur van vijf jaar

Bij vonnis van 13 juni 2018 heeft de rechtbank Den Haag voor de duur van vijf jaar aan bestuurders een bestuursverbod opgelegd. De rechtbank heeft conform de eis van curator Bert van Apeldoorn (SWDV Advocaten) een bestuursverbod voor de maximale duur opgelegd en bestuurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van boedeltekort wegens onbehoorlijk bestuur. Tevens is bepaald dat de betrokken bestuurders door de Kamer van Koophandel uit het handelsregister moeten worden uitgeschreven bij rechtspersonen waar zij als bestuurder staan ingeschreven.

Dit is de eerste bekende uitspraak in Nederland, waarbij een bestuursverbod voor de maximale duur wordt opgelegd.

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Voor bestuurders van een stichting gold al dat zij gedurende vijf jaar geen bestuurder van een stichting meer konden zijn na ontslag door de rechtbank (artikel 2:298 lid 3 BW).

Het bestuursverbod voor bestuurders van een B.V. is ingevoerd  per 1 juli 2016. De bepaling is opgenomen in artikel 106a e.v. van de Faillissementswet.

Door dit verbod kan een bestuurder gedurende een periode van maximaal vijf jaar niet tot bestuurder (of commissaris) van een rechtspersoon in Nederland worden benoemd.

Als het vonnis van de rechtbank onherroepelijk is geworden, zal de Kamer van Koophandel op verzoek van de griffier de bestuurder uit het handelsregister uitschrijven. De KvK publiceert op de website een overzicht van de opgelegde civielrechtelijke bestuursverboden.

Voor vragen over deze uitspraak of over de wet Civielrechtelijk Bestuursverbod kunt u contact opnemen met Bert van Apeldoorn of Sebastiaan van Leeuwen.