Schorsing bestuurder van een BV

Dit artikel gaat over de vordering van een aandeelhouder in kort geding tot schorsing van een medebestuurder.

Door de voorzieningenrechter wordt geoordeeld dat er sprake is van een zwaarwegende reden om tot schorsing over te gaan (VZ Rechtbank Amsterdam 18 januari 2019 ECLI:NL:RBAMS:2019:887).

Feiten

De BV geeft een gids uit voor een stad (Purmerend). Er zijn twee aandeelhouders die ieder 50% van de aandelen in de BV houden en zijn beiden zelfstandig bevoegd als bestuurder van de BV.

Er ontstaat een geschil tussen de aandeelhouders / bestuurders over het onttrekken van geld aan de bankrekening van de BV op het moment dat het financieel niet goed gaat met de BV. De ene aandeelhouder / bestuurder neemt geen geld meer op en wil dat de andere aandeelhouder / bestuurder daar ook mee stopt. Deze doet dat echter niet.

De andere aandeelhouder / bestuurder start een kort geding om hem te schorsen als bestuurder van de BV.

Aandeelhoudersovereenkomst en statuten

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een impasse tussen de twee aandeelhouders en bestuurder van de BV. Het uitgangspunt voor partijen is dat zij zich ingevolge artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een bestuurder kan worden geschorst als er een zwaarwegende reden is die meebrengt dat in redelijkheid niet kan worden gevergd dat een bestuurder nog langer zijn taak uitoefent.

Volgens de rechter is hier sprake van nu vast staat dat de BV grote schulden heeft en dat de vermogenspositie van de BV het voortduren van onttrekkingen niet toelaat. De eiser is hiermee gestopt, maar de gedaagde niet, ook niet toen het personeel niet langer betaald kon worden. Onder andere om deze reden acht de rechter dat er voldoende gronden zijn om tot schorsing van de gedaagde bestuurder over te gaan.

De voorwaarde die hierbij gesteld wordt is dat de eisende partij binnen drie maanden een procedure bij de Ondernemingskamer moet starten.

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ BV of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Hoofdelijkheid, borgtocht en de normale bedrijfsuitoefening

Vincent Audiffred heeft een artikel geschreven over hoofdelijkheid, borgtocht en de normale bedrijfsuitoefening dat in het Fiscaal tijdschrift Vermogen is opgenomen. Financiering van ondernemingen door de bank gaat in de regel gepaard met het verstrekken van zekerheid voor nakoming van de verplichtingen hiervan.

Hoewel er veel verschillende vormen van zekerheid bestaan, zoals de rechten van hypotheek of pand of een bankgarantie, gaat het in dit artikel over de zekerheden waarbij de bank van meerdere partijen betaling kan vorderen.

Vincent bespreekt de hoofdelijke schuld en de verschillende borgtochten. Hij legt uit wat het verschil is tussen borgstelling voor gebruikelijke verplichtingen van de vennootschap of de situatie dat de vennootschap een ongebruikelijke verplichting is aangegaan en de gevolgen daarvan.

Hij gaat verder in op de aansprakelijkheid van de partner van een DGA en de omvang van de borg.

Het artikel leest u hier: Artikel FtV Hoofdelijkheid, borgtocht.

Aanpassing statuten aan aandeelhoudersovereenkomst

Dit artikel gaat over een geschil tussen aandeelhouders dat is ontstaan ten aanzien van de inhoud van de statuten ten opzichte van de aandeelhoudersovereenkomst. Een belangrijke bepaling over de vereiste meerderheid voor besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders (de AvA) in de statuten wijkt af van de bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst.

Door de voorzieningenrechter wordt geoordeeld over de vraag of een van de aandeelhouders gehouden is om mee te werken aan een aanpassing van de statuten (VZ Rechtbank Gelderland 11 oktober 2018 ECLI:NL:RBGEL:2018:5006).

Feiten

XXL Stunt BV (hierna de BV) houdt zich bezig met de handel in kunststoffen. Er zijn drie aandeelhouders die ieder 33,33% van de aandelen in de BV houden.

Er ontstaat een geschil tussen de aandeelhouders over een voorgenomen uitgifte van aandelen in de BV. De aandeelhoudersovereenkomst die partijen hebben gesloten bepaalt dat alle besluiten in de AvA genomen kunnen worden met een meerderheid van 2/3 van de stemmen. De statuten bepalen echter dat voor bepaalde besluiten – waaronder de uitgifte van aandelen – er een meerderheid van 3/4 nodig is.

Uiteindelijk wordt het geschil met betrekking tot de uitgifte van de aandelen opgelost. De aandeelhouderovereenkomst bepaalt echter tevens dat de statuten moeten worden aangepast als er sprake van een discrepantie tussen de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst is. Dat wil zeggen dat de statuten moeten worden aangepast als de bepalingen afwijken van de aandeelhoudersovereenkomst om deze met elkaar in overeenstemming te brengen.

Een van de aandeelhouders van de BV, Intertop, weigert mee te werken aan de aanpassing van de statuten. De andere twee aandeelhouders starten een kort geding om Intertop te dwingen om hieraan mee te werken.

Aandeelhoudersovereenkomst en statuten

De voorzieningenrechter oordeelt dat de tekst van de aandeelhoudersovereenkomst duidelijk is en dat Intertop gehouden is om mee te werken aan de wijziging van de statuten. Het verweer van Intertop is onder andere dat de aandeelhoudersovereenkomst anders uitgelegd moet worden. Volgens Intertop is de bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst voor de 2/3 meerderheid alleen bedoeld voor normale besluiten van de AvA. Dit verweer wordt niet gevolgd. De rechter oordeelt dat de bewoordingen van de bepaling er geen misverstand over laten bestaan dat deze geldt voor alle besluiten van de AvA.

Intertop moet van de rechter binnen 14 dagen haar medewerking verlenen om de statuten in lijn te brengen met de aandeelhoudersovereenkomst.

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ B.V. of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.

Vergunning weigeren vanwege slecht levensgedrag?

Mag een burgemeester op grond van de APV een exploitatievergunning weigeren of intrekken vanwege “slecht levensgedrag”?

Veel gemeenten hebben in hun Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) staan dat een exploitatievergunning geweigerd of ingetrokken kan worden als de exploitant of leidinggevende van slecht levensgedrag is. In de jurisprudentie lijkt er onduidelijkheid te bestaan of een dergelijke weigeringsgrond niet in strijd zou zijn met de Dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123/EG). De Afdeling heeft een tipje van de sluier opgelicht.

Dienstenrichtlijn

De voorzieningenrechter in Amsterdam heeft in een recente uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2019:4070) geoordeeld dat het voor een dienstenverrichter (in die zaak ging het om een caféuitbater) niet goed mogelijk is om zich vooraf op de hoogte te stellen van de wijze waarop het criterium “slecht levensgedrag” wordt ingevuld bij de beoordeling van een aanvraag om een exploitatievergunning.

Daarom valt volgens de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat dit criterium in strijd is met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn vereist namelijk dat met duidelijke, ondubbelzinnige, objectieve, vooraf bekendgemaakte, transparante en toegankelijke criteria wordt voorkomen dat bestuursorganen hun bevoegdheden op willekeurige wijze uitoefenen.

Met deze beslissing sluit de voorzieningenrechter in Amsterdam zich aan bij de voorzieningenrechter in Utrecht, die op 14 december 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:6217) in een soortgelijke zaak ook tot deze conclusie kwam.

Rechtsonzekerheid

Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) tot heden nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of het criterium “slecht levensgedrag” in strijd is met de Dienstenrichtlijn, heeft de Afdeling echter in haar uitspraken van 26 februari 2019  (ECLI:NL:RVS:2019:581) en 19 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1931) wel geoordeeld dat de voorwaarde dat een exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn geen rechtsonzekerheid geeft. Voor de term “slecht levensgedrag” werd in die zaak aansluiting gezocht bij de Drank- en Horecawet en dit is blijkbaar volgens de Afdeling voldoende.

Conclusie

Het lijkt erop dat de voorzieningenrechters voorzichtiger zijn dan de Afdeling. De Afdeling blijft op de lijn dat het criterium “slecht levensgedrag” geen rechtsonzekerheid geeft. Het zou goed kunnen dat de bovenstaande uitspraken van de Afdeling een opmaat zijn voor de beslissing van de Afdeling op de vraag of het criterium “slecht levensgedrag” in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat het criterium “slecht levensgedrag” dan ruimer getoetst zal moeten worden. Naast de vraag of het criterium geen rechtsonzekerheid geeft, zal ook beoordeeld moeten worden of er sprake is van een duidelijk, ondubbelzinnig, objectief vooraf bekendgemaakt, transparant en toegankelijk criterium. Het is wachten op de eerste uitspraak van de Afdeling hierover.

Elektronische handtekening = handgeschreven handtekening?

Sinds de invoering van de eIDAS-Verordening op 29 september 2018 moeten publieke organisaties Europees erkende inlogmiddelen accepteren. Ook private partijen maken steeds vaker gebruik van de elektronische handtekening. Is deze digitale wijze van ondertekening gelijk aan de handgeschreven handtekening?

In zijn arrest van 14 juni 2019 oordeelt de Hoge Raad over de elektronische handtekening dat deze juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening wanneer deze handtekening met voldoende mate van betrouwbaarheid dezelfde functies vervult als een handgeschreven handtekening. Of de elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening, hangt af van de mate van getroffen waarborgen.

Elektronische handtekening

Als het gegevens in elektronische vorm betreft die aan andere gegevens zijn gehecht in digitale vorm, en die de ondertekenaar gebruikt om te ondertekenen, dan is er sprake van een elektronische handtekening.

Varianten elektronische handtekening

Er is een onderscheid te maken tussen de gekwalificeerde elektronische handtekening, de geavanceerde elektronische handtekening en andere elektronische handtekeningen.

Gekwalificeerde elektronische handtekening 

Een gekwalificeerde elektronische handtekening is een handtekening met een gekwalificeerd certificaat. Het certificaat wordt aan het oorspronkelijke document toegevoegd en verstrekt door een zogeheten certificatiedienstverlener. Dit betekent dat de gekwalificeerde elektronische handtekening juridisch gelijk te stellen is aan een handgeschreven handtekening en daarom dezelfde rechtsgevolgen heeft.

Geavanceerde elektronische handtekening

Een geavanceerde elektronische handtekening is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden. Aan het bericht wordt een unieke code gekoppeld die het mogelijk maakt om de ondertekenaar te identificeren. De code is niet te gebruiken bij een vals bericht. Het vertrouwensniveau is hoog en elke wijziging van de gegevens achteraf kan worden opgespoord.

Andere elektronische handtekeningen

Bij een andere elektronische handtekening kan gedacht worden aan een gescande handtekening op papier die onder een e-mail staat of als afbeelding wordt verzonden. Deze variant van de elektronische handtekening is het eenvoudigst te vervalsen.

Geavanceerde- en andere elektronische handtekeningen hebben alleen dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening wanneer de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is gelet op het doel en de overige omstandigheden van het geval. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een gestempelde handtekening, omdat iedere persoon deze stempel kan zetten.

Geen ambtshalve toetsing

Het is aan partijen zelf om een onjuiste wijze van ondertekening aan de rechter voor te leggen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank niet ambtshalve hoeft te toetsen of de handtekening daadwerkelijk is geplaatst door de persoon in kwestie. De rechter toetst de wijze van ondertekening dus alleen wanneer hierover verweer wordt gevoerd.

Geen aandelen aan toonder meer

Om transacties op de financiële markt transparanter te maken trad op 1 juli 2019 de Wet omzetting aandelen aan toonder in werking. Alle zogeheten aandelen aan toonder, dat zijn aandelen die niet op naam staan gesteld, moeten op naam worden gesteld. Deze maatregel zou moeten bijdragen aan het voorkomen van witwassen, financiering van terrorisme en belastingontduiking. In de praktijk zal er niet veel veranderen omdat aandelen aan toonder nog maar weinig worden gebruikt. Vroeger was dit anders er werd hiermee voor de financiering van grote projecten geld opgehaald.

Vereiste acties

Aandeelhouders van aandelen aan toonder verliezen met ingang van 1 januari 2020 alle aan hun aandeel verbonden rechten. De aandeelhouder moet daarom tijdig de aandelen aan toonder op naam laten stellen door de NV. Tot 1 januari 2021 kan de aandeelhouder zijn toonderstukken omruilen bij de vennootschap. Zijn de aandelen aan toonder niet tijdig ingeleverd, dan worden ze eigendom van de NV.  Gedurende een periode van 5 jaar – ingaande op 1 januari 2021 – heeft de aandeelhouder nog het recht om de aandelen om te ruilen voor een aandeel op naam.

Statutaire wijziging

De wet kan mogelijk ook gevolgen hebben met betrekking tot de statuten van de vennootschap. Als er in de statuten gesproken wordt over ‘aandelen aan toonder’ dan dient dit aangepast te worden. De vennootschap moet de statuten bij de notaris laten wijzigen vóór 31 december 2019.

Na faillissement als boedelschuldeiser doorwerken

Heeft een tandarts na faillissement als boedelschuldeiser doorgewerkt?

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze vraag bevestigend beantwoord in haar uitspraak van 7 augustus 2018. Ondanks dat de curator de overeenkomst niet wilde nakomen, leidde het Hof uit de omstandigheden af dat de verklaringen en gedragingen van de curator enkel opgevat konden worden als een wens tot nakoming. Hierna volgt een bespreking van het geschil.

Samenwerkingsovereenkomst

Op 18 juni 2013 is het faillissement van een tandheelkundig centrum uitgesproken. Per 1 augustus 2013 is de praktijk overgedragen aan een derde. In de tussentijd is door de tandarts doorgewerkt met toestemming van de curator. Vervolgens ontstaat een geschil tussen de curator en de tandarts over de financiële afwikkeling. Kern van het probleem is de vraag op welke basis het werk is gecontinueerd. De tandarts beroept zich op een nieuwe overeenkomst, met aangepaste verbeterde voorwaarden. Volgens de curator ontbrak de vereiste machtiging van de rechter-commissaris en is de samenwerkingsovereenkomst beëindigd.

Uit de verklaringen en gedragingen van partijen blijkt dat zij het over essentiële punten over het aangaan van een nieuwe overeenkomst oneens waren. Niettemin is de tandarts na het faillissement blijven werken.

Overwegingen Gerechtshof

In het belang van de rechtszekerheid kan aan de curator een termijn gesteld worden waarbinnen de curator zich bereid moet verklaren tot nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst. Dit is niet gebeurd. Aangezien de curator de tandarts uitdrukkelijk heeft gevraagd door te werken in het belang van de boedel, is het Hof van oordeel dat de curator de overeenkomst stilzwijgend heeft voortgezet. Het Hof verwerpt dan ook het verweer van de curator.

Daarnaast oordeelt het Hof dat het ontbreken van de machtiging van de rechter-commissaris geen invloed heeft op de geldigheid van het handelen van de curator. Het doel van het stellen van een termijn is het wegnemen van onzekerheid. Dit is hier niet aan de orde nu de curator de tandarts heeft verzocht om door te werken. De curator moet voor een bereidverklaring tot nakoming van de overeenkomst toestemming aan de rechter-commissaris vragen.

Zekerheidstelling

Door de onuitgesproken bereidverklaring van de curator zijn contractuele aanspraken boedelschuld geworden. Dit geldt voor alle verplichtingen van de schuldenaar die uit de overeenkomst voortvloeien, ook voor zover deze verplichtingen al vóór het faillissement zijn ontstaan. Als de overeenkomst niet was nagekomen dan waren de aanspraken van voor faillissement aan te merken als concurrente vorderingen. De consequentie van stilzwijgende nakoming van de overeenkomst is dat er geen zekerheid is gesteld. In dit geval zal het boedelactief onvoldoende zijn om aan de verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen. Dit zal financiële gevolgen hebben voor de tandarts.

Pro se aansprakelijkheid

Tot slot overweegt het Hof nog dat van persoonlijke aansprakelijkheid van de curator geen sprake is, omdat de curator niet hoefde te weten dat de boedel niet toereikend zou zijn. Er wordt in dat kader niet gesproken over het stellen van vereiste zekerheid. De tandarts zou de werkzaamheden hoe dan ook hebben voortgezet ondanks dat de curator geen zekerheid kon stellen. Daarom kan de curator geen persoonlijk verwijt worden gemaakt.

Dit artikel is geschreven door Anouk de Bert.

Accountant aansprakelijk voor schade verkeerd advies

De rechtbank oordeelt dat een accountantskantoor aansprakelijk is voor een fout in de advisering in het kader van de opvolging van de vaders door de zoons binnen een familiebedrijf (Rechtbank Gelderland 8 augustus 2018 JOR 2019/71 ECLI:NL:RBGEL:2018:3816).

Overdracht aandelen van vader op zoon

De onderneming in kwestie is actief in de bouw. Twee vaders zijn het bedrijf in 1979 gestart en hun zoons zijn later in het bedrijf werkzaam geworden. Het bouwbedrijf wordt geëxploiteerd in de vorm van een BV. Op zeker moment worden de zoons medeaandeelhouder van de BV. In 2012 willen de vaders hun resterende aandelen overdragen aan de zoons. Het (huis)accountantskantoor adviseert hierbij. Aan het accountantskantoor zijn verschillende adviseurs verbonden, waaronder een fiscaal jurist en een accountant.

Fiscaal advies door accountant

Het fiscaal advies waar het om gaat, ziet op een schenking van de aandelen door de vaders aan de zoons. Bij deze schenking wordt gebruik gemaakt van een vrijstelling voor de belasting. De voorwaarde die daarbij echter geldt, is dat de onderneming niet binnen vijf jaar na de schenking gestaakt zou worden.

Faillissement binnen vijf jaar na schenking aandelen

Het punt is dat de BV in kwestie ondertussen al financiële problemen heeft. Het jaar 2012 wordt met verlies afgesloten. Er zijn liquide middelen nodig, maar de (huis)bank verstrekt geen aanvullend krediet, omdat de zoons niet persoonlijk borg willen staan. Elders krediet aantrekken lukt niet. Met behulp van (onder andere) de accountant wordt een eigen aangifte van het faillissement voorbereid en op 1 maart 2013 aangevraagd.

Na het faillissement volgt er een aanslag van de fiscus voor de Schenkbelasting. Als gevolg van het faillissement van de BV was er sprake van het staken van de onderneming. Er kon dus geen aanspraak meer gemaakt worden op de vrijstelling. Door de fiscus wordt een aanslag opgelegd aan de zonen.

De vaders en de zonen stellen het accountantskantoor aansprakelijk voor de als gevolg van het advies door hen geleden schade.

Onrechtmatige daad, eigen schuld en klachtplicht

De opdrachtgever van het accountantskantoor was de BV. De zoons en de vaders hebben het accountantskantoor aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatige daad, omdat zij zelf geen overeenkomst hadden met het kantoor. Het verwijt is dat de aan het kantoor verbonden adviseurs hen niet nadrukkelijk hebben gewezen op het vervallen van de vrijstelling in geval van faillissement.

De norm die voor de beoordeling van het handelen geldt, is of het accountantskantoor gehandeld heeft zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mocht worden verwacht. Door niet expliciet op het gevolg voor de vrijstelling bij een eventueel faillissement van de BV te wijzen, is deze norm door het accountantskantoor geschonden. Bij de advisering is onvoldoende rekening gehouden met het toekomstperspectief van de BV.

Gedeeltelijk eigen schuld ex art. 6:101 BW

De rechtbank neemt wel de eigen schuld van de eisers ex artikel 6:101 BW voor een gedeelte aan. Eisers zouden het accountantskantoor eerder hebben moeten informeren over de slechte financiële positie van de BV. Die positie was eisers als aandeelhouders en bestuurders van de BV uiteraard bekend, maar het accountantskantoor niet geheel of in ieder geval niet in dezelfde mate als de eisers. Zij hadden het accountantskantoor eerder en niet vlak voor de eigen aangifte van het faillissement op de hoogte moeten stellen van de problemen.

Geen geslaagd beroep op wettelijke klachtplicht ex art. 6:89 BW

Het accountantskantoor doet nog een beroep op de wettelijke klachtplicht ex artikel 6:89 BW. Eisers zouden niet binnen bekwame tijd geklaagd hebben. Volgens de rechtbank is het in een dergelijke geval aan het accountantskantoor om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat eisers, gelet op alle omstandigheden van het geval, jegens het accountantskantoor hun rechten verwerkt hebben. Dit verweer is door het accountantskantoor onvoldoende onderbouwd en er wordt door de rechtbank aan voorbij gegaan.

Heeft u vragen over bedrijfsopvolging binnen het familiebedrijf? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Verjaring van een vordering zonder termijn

Stel, u heeft een vordering op iemand, maar u heeft niet met diegene afgesproken wanneer uw vordering voldaan moet zijn. Zo’n vordering zonder termijn is direct opeisbaar. Maar hoe zit het dan met de verjaringstermijn?

Verjaringstermijn geldleningsovereenkomst

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in haar arrest van 2 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2910) dat de verjaringstermijn van een vordering uit hoofde van een geldleningsovereenkomst, waarin geen termijn voor nakoming was opgenomen, direct bij het ontstaan van de vordering begint te lopen. In dit geval ging degene die de lening had verstrekt – na geregeld vriendelijk, mondeling, vragen – pas na 10 jaar over tot het nemen van (schriftelijke) incassomaatregelen. Gelet op de verjaringstermijn van 5 jaar (artikel 3:307 lid 1 BW) was dit te laat, aldus het Hof. Heeft u vragen over een (geldlenings)overeenkomst of (het stuiten van) een verjaringstermijn? Karen Mels of 1 van haar collega’s helpt u graag verder.

Tijdelijk bestuur niet aansprakelijk voor afgeleide schade

Dit artikel is geschreven naar aanleiding van een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2018:5864). De Ondernemingskamer heeft een tijdelijke bestuurder en een tijdelijk beheerder van de aandelen van een besloten vennootschap benoemd. Een van de aandeelhouders van de BV stelt zowel de tijdelijk bestuurder als tijdelijk beheerder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een ernstig verwijt.

BV in financiële problemen

De BV verkeert al in een problematische financiële positie op het moment dat de tijdelijk bestuurder en de tijdelijk beheerder benoemd worden. De tijdelijk bestuurder tracht in overleg met de tijdelijk beheerder van de aandelen de onderneming te verkopen om een faillissement te voorkomen. Er wordt een deal gesloten waar een van de aandeelhouders van de BV bij betrokken is.

Deze aandeelhouder wordt vervolgens verweten dat hij niet zuiver heeft gehandeld en de deal wordt teruggedraaid. De voorgenomen verkoop gaat dus niet door en de BV gaat failliet.

De aandeelhouder die betrokken was bij de verkoop verwijt dit de tijdelijke bestuurder van de BV. De tijdelijk beheerder van de aandelen wordt door de aandeelhouder aangemerkt als feitelijk leidinggevende en eveneens aangesproken, omdat de tijdelijk bestuurder steeds in nauw overleg met de tijdelijk beheerder heeft gehandeld.

Afgeleide schade

Uit de beoordeling volgt dat voor aansprakelijkheid van een derde voor aandeelhoudersschade (zogenaamde afgeleide schade), de schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm door die derde tegenover de aandeelhouders van de BV is vereist. Dit geldt ook voor een bestuurder van de BV als hem van die schending een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dit het geval is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Specifieke zorgvuldigheidsnorm geldt ook voor tijdelijke bestuurder

Het belang van het vonnis is dat de norm van het ernstig verwijt – zoals die voor de ‘gewone bestuurder’ geldt – volgens de rechtbank ook geldt voor een door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijke bestuurder.

De rechtbank oordeelt dat, als er al een specifieke zorgvuldigheidsnorm geschonden zou zijn (wat niet direct aannemelijk lijkt), dit de tijdelijk bestuurder en de tijdelijk beheerder niet verweten kan worden. De reden is volgens de rechtbank dat de tijdelijk bestuurder en beheerder door de Ondernemingskamer feitelijk in een wespennest zijn geparachuteerd waarin in een zeer kort tijdbestek daadkrachtig moest worden gehandeld. Onder die omstandigheden kon hen dus geen ernstig verwijt gemaakt worden van hun handelen.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.