SecurCash toch failliet, wat moeten de werknemers doen?

De rechtbank heeft inmiddels toch het faillissement uitgesproken van SecurCash.

De curatoren zullen de werknemers hoogstwaarschijnlijk snel ontslaan. Als SecurCash het faillissement vooral heeft gebruikt om van het personeel af te komen, kunnen de werknemers met succes tegen hun ontslag bezwaar maken. De termijn daarvoor is slechts vijf dagen. De voorgeschiedenis geeft voor de werknemers aanleiding om dat in ieder geval serieus te overwegen.

Als er geen bezwaar wordt gemaakt tegen het ontslag of als het bezwaar wordt afgewezen, zal het UWV de loonvorderingen overnemen voor de periode van 13 weken vóór het faillissement en over de opzegtermijn. De opzegtermijn is voor de meeste werknemers één maand. Vakantiegeld en vakantiedagen worden vergoed over een periode van maximaal jaar vóór het faillissement. In de praktijk krijgen de meeste werknemers daarom hun loonvordering betaald door het UWV.

Voor de overige vorderingen geldt meestal alleen nog de mogelijkheid om die bij de curator in te dienen.
De praktijk leert dat betaling van de in het faillissement ingediende vorderingen zeldzaam is, maar niet uitgesloten. Dien een vordering dus wel in bij de curator.

Heropening vereffening besloten vennootschap

In het arrest van 19 april 2018 oordeelt het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch over een vordering op de vereffenaar als bate van een eerder ontbonden BV. (ECLI:NL:GHSHE:2018:1659)

Ontbinding houdstermaatschappij en vereffening

De BV fungeert als houdstermaatschappij van een BV die actief is in de vis- en oesterbranche. De BV is een joint venture van twee broers die door verschillende andere entiteiten de aandelen houden.

De KvK ontbindt op zeker moment de houdstermaatschappij. De BV had de bijdrage aan de KvK niet betaald en er werden geen jaarrekeningen gedeponeerd. De verplichting tot betaling van de bijdrage aan de KvK bestaat  overigens niet meer. Voor een ontbinding van de BV is tevens van belang om vast te stellen of deze BV nog activiteiten heeft. Dit is voor het besluit tot de ontbinding kennelijk niet vastgesteld, terwijl de BV nog wel actief was.

Het vermogen van de BV wordt hoe dan ook toch vereffend door een vereffenaar. Als de vereffenaar zijn werkzaamheden heeft afgerond resteert er volgens de vereffenaar geen batig saldo voor de aandeelhouders.

Verzoek heropening ex art. 2:23c BW

Een van de twee broers is het hier niet mee eens. Deze meent dat er sprake is van een bate en verzoekt heropening ex artikel 2:23c BW. De bate zou bestaan uit een mogelijke vordering op de vereffenaar.

De rechtbank wijst het verzoek tot heropening van de vereffening van de BV af, omdat de door de verzoeker gestelde bate niet kon voortkomen uit of samenhangen met de vereffening zelf. Deze zou moeten zien op de periode voor de ontbinding van de BV.

De verzoeker gaat in hoger beroep.

Nagekomen bate kan ontstaan tijdens vereffening

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en oordeelt dat een nagekomen bate ook kan ontstaan tijdens de vereffeningsprocedure. Hierbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan een vordering wegens onrechtmatig handelen van de vereffenaar.

Het lijkt er – kort samengevat – op dat de BV “leeg is gemaakt”, doordat de activa aan de ontbonden BV zijn onttrokken en de broer die het verzoek heeft gedaan tot de heropening daardoor benadeeld is. De aandelen van de BV werden bijvoorbeeld gewaardeerd op nihil en door de vereffenaar overgedragen, terwijl deze aandelen in ieder geval enige waarde leken te vertegenwoordigen.

Het hof acht de mogelijke aansprakelijkheid van de vereffenaar gelet op deze omstandigheden aannemelijk (of niet direct onaannemelijk), heropent de vereffening en benoemt een andere vereffenaar.

Vragen over vereffening, (potentiële) baten en aansprakelijkheid vertegenwoordiger van een B.V.? Stel deze aan Sebastiaan van Leeuwen.

Persoonlijk ernstig verwijt bestuurder trustmaatschappij

Artikel 2:11 BW

In 2017 oordeelde de Hoge Raad over een bestuurder van een holding en zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg van een onrechtmatige daad van de holding waar hij bestuurder van was (ECLI:NL:HR:2017:275). Deze aansprakelijkheid volgde uit artikel 2:11 BW. De bestuurder van een holding is via dat artikel in beginsel hoofdelijk aansprakelijk als wordt vastgesteld dat de holding als bestuurder aansprakelijk is.

De ratio van artikel 2:11 BW is dat een natuurlijk persoon zich niet achter zijn holding kan verschuilen bij benadeling van een crediteur in geval van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit geldt ook bij aansprakelijkheid die gebaseerd is op een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Er geldt niet de aanvullende eis dat de crediteur stelt en bewijst dat ook de natuurlijke persoon een persoonlijk ernstig verwijt treft.

Dit keer oordeelt de Hoge Raad dat, als artikel 2:11 BW niet van toepassing is, er sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt voor iedere bestuurder afzonderlijk (Hoge Raad 30 maart 2018 ECLI:NL:HR:2018:470).

Waarom worden de bestuurders aansprakelijk gesteld?

De activiteiten van de onderneming betroffen de ontwikkeling van een resort met appartementen in de Dominicaanse Republiek. Ten behoeve van deze activiteiten zijn er door de aandeelhouder(s) diverse vennootschappen opgericht. De trustmaatschappij was bestuurder van een aantal van deze vennootschappen samen met een andere bestuurder (tevens aandeelhouder). Voor de financiering is een beroep gedaan op beleggers. De ontwikkeling gaat uiteindelijk niet door en de beleggers zijn boos, omdat zij hun geld kwijt zijn en stellen de twee bestuurders aansprakelijk.

Het oordeel van de rechtbank, het hof en de hoge raad

De Rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen af. Het Gerechtshof Amsterdam wijst de vorderingen jegens de ene bestuurder toe, maar acht de trustmaatschappij niet aansprakelijk. Er wordt cassatie ingesteld. Volgens de beleggers had de trustmaatschappij het onrechtmatig handelen van de andere bestuurder moeten voorkomen. De bestuurders zijn aansprakelijk als gevolg van het schenden van wettelijke regels door de BV. Volgens eisers geldt hier de collegialiteit van bestuur (populair gezegd: de ene bestuurder aansprakelijk, betekent ook de andere bestuurder aansprakelijk).

Geen persoonlijk ernstig verwijt voor individuele bestuurder

De regels voor externe aansprakelijkheid van bestuurders gelden ook als een trustmaatschappij bestuurder is. De collegialiteit van bestuur waaruit in feite hoofdelijke aansprakelijkheid van het bestuur volgt, geldt niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid. Schending van een wettelijk voorschrift door de bestuurder kan in beginsel tot (interne) aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de BV leiden. Bij aansprakelijkheid jegens externe crediteuren, geldt het uitgangspunt dat de individuele bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Verzoek bijeenroepen AVA door meerderheidsaandeelhouder

Een eerder artikel, geschreven naar aanleiding van het vonnis in PPG/Akzo Nobel, betrof de bevoegdheid van aandeelhouders om een verzoek te doen aan het bestuur om een algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) bijeen te roepen.

Bij een weigering van het bestuur om aan dat verzoek te voldoen, kan de aandeelhouder zich tot de voorzieningenrechter wenden. Dit artikel gaat over een verzoek om een AvA bijeen te roepen dat door de voorzieningenrechter niet wordt gehonoreerd (VZ Rechtbank Noord-Nederland 28 juni 2018 ECLI:NL:RBNNE:2018:2477).

Feiten

Cranberry Terschelling BV (hierna de BV) houdt zich bezig met productie en verkoop van cranberries. Er zijn twee aandeelhouders. Woestduin houdt 67,5% van de aandelen in de BV. Een zekere “A” houdt 32,5% van de aandelen in de BV. Een zekere “Y” is bestuurder van de BV. Woestduin wil dat Y ontslagen wordt als bestuurder.

Het ontslag van Y waar tijdens een eerste AvA over is gestemd, gaat uiteindelijk niet door. Woestduin wil dat het bestuur een nieuwe AvA bijeenroept om Y alsnog te kunnen ontslaan.

Aan de wens tot het ontslag van Y ligt feitelijk een conflict tussen de aandeelhouders van de BV ten grondslag. Er was een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Woestduin heeft ingevolge die overeenkomst zelf om bemiddeling in het geschil tussen de aandeelhouders verzocht. Echter, Woestduin doet – terwijl de bemiddeling nog loopt – een verzoek aan de voorzieningenrechter tot machtiging om een AvA bijeen te roepen.

Aandeelhoudersovereenkomst, bemiddeling en belang vennootschap

De rechter moet deze machtiging ex artikel 2:220 en 2:221 lid 1 BW verlenen als summierlijk blijkt dat de aandeelhouder minimaal 1% van de aandelen houdt, een “redelijk belang” bij het verzoek heeft en onder een nauwkeurige opgave van de onderwerpen van de AvA. Een reden om het verzoek af te wijzen is een zwaarwegend belang van de BV dat zich tegen het verlenen van de machtiging verzet.

Oordeel: zwaarwegend belang verzet zich tegen afgifte machtiging

Woestduin is meerderheidsaandeelhouder en houdt veel meer dan 1% van de aandelen. Het gewenste ontslag van Y als bestuurder van de BV is een duidelijk agendapunt en geldt tevens als een redelijk belang van Woestduin. Aan de vereisten is dus voldaan, maar de rechter oordeelt dat een zwaarwegend belang van de vennootschap zich verzet tegen het geven van de machtiging.

In de beoordeling wordt betrokken dat Woestduin zelf om bemiddeling heeft gevraagd en dat deze nog loopt. Als er nu een ontslag van Y zou volgen dan doorkruist dit de bemiddeling. De rechter heeft bij het belang van de BV mede oog voor de familiebanden en de gevolgen die een ontslag van Y voor samenwerking binnen de BV zou hebben. Het verzoek van Woestduin wordt daarom afgewezen.

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ BV of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen.

Impasse binnen B.V.’s en voorzieningen rechter

Dit artikel gaat over een tweetal uitspraken en het treffen van voorzieningen door de rechter om de impasse die is ontstaan bij de desbetreffende ondernemingen te doorbreken.

De uitspraken

Geschil A betreft een man en een vrouw die beiden 50% van de aandelen in een B.V. houden en samen bestuurder zijn (Gerechtshof Amsterdam (OK) 22 maart 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:1073).

Geschil B betreft twee in het buitenland gevestigde vennootschappen die aandeelhouder en samen bestuurder zijn van een B.V. Een van de twee aandeelhouders heeft geen bestuurder meer (VZ Rechtbank Amsterdam 20 februari 2018 ECLI:NL:RBAMS:2018:1166).

Impasse en vordering benoeming derde bestuurder

In geschil A heeft de man aan de vrouw de toegang tot de onderneming ontzegd en doet de man privé uitgaven ten laste van de onderneming. De B.V. heeft financiële problemen en er wordt een te hoge vergoeding aan het bestuur betaald. Er moeten maatregelen getroffen worden binnen de onderneming, maar door de impasse die is ontstaan (mede) als gevolg van de problemen binnen het huwelijk van de man en de vrouw, gebeurt dit kennelijk niet.

In geschil B heeft een familieruzie ertoe geleid dat er geen bestuurder meer is van de vennootschap die aandeelhouder van de BV is. Feitelijk wordt de B.V. hierdoor niet bestuurd en is er daardoor een impasse ontstaan.

In beide procedures vorderen aandeelhouders dat er een derde bestuurder wordt benoemd door de rechter.

Voorzieningen door voorzieningenrechter en ondernemingskamer

In beide procedures wordt bij de desbetreffende B.V. een derde bestuurder benoemd.
In geschil B krijgt de derde bestuurder de aanwijzing van de voorzieningenrechter om een oplossing voor de impasse te onderzoeken.
In geschil A geeft de Ondernemingskamer de derde bestuurder de meer concrete aanwijzingen om de vergoeding voor het bestuur aan te passen, de privé uitgaven te stoppen en de schulden, die in rekening-courant zijn ontstaan, terug te dringen.

 

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ B.V. of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Bestuursverbod voor maximale duur opgelegd

Bestuursverbod voor de duur van vijf jaar

Bij vonnis van 13 juni 2018 heeft de rechtbank Den Haag voor de duur van vijf jaar aan bestuurders een bestuursverbod opgelegd. De rechtbank heeft conform de eis van curator Bert van Apeldoorn (SWDV Advocaten) een bestuursverbod voor de maximale duur opgelegd en bestuurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van boedeltekort wegens onbehoorlijk bestuur. Tevens is bepaald dat de betrokken bestuurders door de Kamer van Koophandel uit het handelsregister moeten worden uitgeschreven bij rechtspersonen waar zij als bestuurder staan ingeschreven.

Dit is de eerste bekende uitspraak in Nederland, waarbij een bestuursverbod voor de maximale duur wordt opgelegd.

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Voor bestuurders van een stichting gold al dat zij gedurende vijf jaar geen bestuurder van een stichting meer konden zijn na ontslag door de rechtbank (artikel 2:298 lid 3 BW).

Het bestuursverbod voor bestuurders van een B.V. is ingevoerd  per 1 juli 2016. De bepaling is opgenomen in artikel 106a e.v. van de Faillissementswet.

Door dit verbod kan een bestuurder gedurende een periode van maximaal vijf jaar niet tot bestuurder (of commissaris) van een rechtspersoon in Nederland worden benoemd.

Als het vonnis van de rechtbank onherroepelijk is geworden, zal de Kamer van Koophandel op verzoek van de griffier de bestuurder uit het handelsregister uitschrijven. De KvK publiceert op de website een overzicht van de opgelegde civielrechtelijke bestuursverboden.

Voor vragen over deze uitspraak of over de wet Civielrechtelijk Bestuursverbod kunt u contact opnemen met Bert van Apeldoorn of Sebastiaan van Leeuwen.

Het agenderingsrecht begrensd

De Hoge Raad heeft op 20 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:652) arrest gewezen over de grenzen aan het agenderingsrecht van aandeelhouders. Artikel 2:114a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kent aan de in het artikel beschreven aandeelhouders en certificaathouders het recht toe de vennootschap te verplichten een onderwerp ter bespreking op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat artikel 2:114a BW niet tevens het recht omvat om de vennootschap te verplichten een onderwerp ter stemming op te nemen in de agenda van de algemene vergadering, wanneer de algemene vergadering geen bevoegdheid heeft om over het onderwerp te besluiten.

Wanneer is er sprake van agenderingsrecht?

Aandeelhouders en certificaathouders beschikken op grond van de wet over een agenderingsrecht, wanneer zij gezamenlijk tenminste drie procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen (artikel 2:114a BW). Het onderwerp komt op de agenda te staan wanneer tijdig schriftelijk is verzocht om behandeling.

Of het ook mogelijk is om de vennootschap te verplichten een agendapunt ter stemming op de agenda te zetten is aan de orde in de hierna te bespreken zaak.

Verzoek agendapunt met toelichting ter stemming op de agenda

Boskalis B.V. (hierna: Boskalis) had een belang van ruim 28 procent in Fugro N.V. (hierna: Fugro). Fugro heeft twee dochtervennootschappen gevestigd te Curaçao, die een call-optie hebben verleend aan de Antilliaanse Stichting Continuïteit Fugro om preferente beschermingsaandelen te verkrijgen. Boskalis heeft bezwaar tegen deze beschermingsconstructie en verzoekt Fugro tot ontmanteling van de constructie. Fugro weigert, waarna Boskalis verzoekt om een agendapunt met toelichting ter stemming op de agenda te zetten van de algemene vergadering. Fugro is bereid het onderwerp ter bespreking in de agenda te zetten, maar weigert het agendapunt ter stemming op te nemen.

Kort geding: vordering tot bevel agendapunt ter stemming op te nemen

In kort geding vordert Boskalis Fugro te bevelen het agendapunt ter stemming op te nemen. De grondslag is gelegen in het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW, maar daarnaast betoogt Boskalis dat een peiling van standpunten ook is toegestaan zonder wettelijke grondslag. De voorzieningenrechter wijst de vordering af. Vervolgens bekrachtigd het Hof het vonnis van de voorzieningenrechter en bepaalt daarbij dat Fugro niet verplicht is om de aanbeveling van Boskalis en de daarop gegeven toelichting ter stemming op de agenda te plaatsen. Volgens het Hof is er enkel sprake van een agenderingsrecht van onderwerpen ter stemming wanneer de algemene vergadering ook bevoegd is om over het onderwerp te besluiten. Daarvan is geen sprake, nu de aanbeveling waarvoor een stemming is gevraagd ziet op de strategie van de vennootschap. Dit is een aangelegenheid van het bestuur.

Cassatie: drie argumenten

Boskalis stelt cassatieberoep in en voert daarbij de volgende drie argumenten aan.

  1. Volgens de huidige leer is een zogenoemde peiling van standpunten aan de hand van een stemming van de algemene vergadering toegestaan.
  2. Tevens is een te beperkte uitleg van artikel 2:114a BW in strijd met de Aandeelhoudersrichtlijn (2007/36/EG), aangezien de richtlijn is gericht op het versterken van de aandeelhouderspositie.
  3. Tot slot is het niet van belang of de algemene vergadering bevoegd is een besluit te nemen, nu het gaat om de stemming van een concept aanbeveling. Daarbij opgemerkt stelt Boskalis dat de beschermingsconstructie de structuur van de vennootschap betreft en niet de strategie.

Overwegingen van de Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt als volgt en gaat daarbij eerst in op het ‘strategie’ aspect en bespreekt vervolgens de Aandeelhoudersrichtlijn.

Strategie en beleid

Het beleid en de strategie van de vennootschap is een aangelegenheid van het bestuur. Het bestuur moet verantwoording afleggen, maar is niet verplicht om de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken wanneer het gaat om bevoegdheden van het bestuur (zie ook ABN Amro, ECLI:NL:HR:2007:BA7972 en ASMI, ECLI:NL:HR:2010:BM0976). Het bestuur draagt een eigen verantwoordelijkheid om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (Cancun, ECLI:NL:HR:2014:797). Dat het niet de strategie van de vennootschap betreft, maar een aanbeveling tot ontmanteling van de beschermingsconstructie maakt dit oordeel niet anders. De vennootschap is dus op grond van artikel 2:114a BW niet verplicht een onderwerp ter stemming op de agenda te plaatsen, wanneer het een aangelegenheid van het bestuur betreft. Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat het feit dat de stemming geen rechtsgevolg heeft en beschreven is als een aanbeveling, peiling, motie of informele stemming aan haar oordeel niets af doet.

De Aandeelhoudersrichtlijn

De bepalingen uit de Aandeelhoudersrichtlijn leiden ook  niet tot een ander oordeel. Uit de richtlijn 2007/36/EG volgt niet dat een aandeelhouder een ongeclausuleerd agendarecht toekomt. De richtlijn beoogt de rechten voor aandeelhouders te versterken, maar het is niet de bedoeling dat aandeelhouders rechten verkrijgen die zij voorheen niet hadden. Er is ook niet gestreefd naar het nader invullen van de bevoegdheidsverdeling. Dit is in lijn met de manier van  realisatie van de implementatie van de Richtlijn in België, Duitsland en Frankrijk. Daar heeft de Aandeelhoudersrichtlijn niet tot gevolg gehad dat aandeelhouders een stemming van de algemene vergadering af kunnen dwingen ten aanzien van onderwerpen die niet onder de bevoegdheid van de algemene vergadering vallen.

Conclusie

Samenvattend geldt dat artikel 2:114a BW de aandeelhouders niet het recht geeft om een vennootschap te verplichten een onderwerp ter stemming op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen wanneer het een aangelegenheid van het bestuur betreft en de algemene vergadering niet bevoegd is om over het onderwerp te besluiten. Het agenderingsrecht reikt in dat geval niet verder dan de vennootschap verplichten het onderwerp ter bespreking op de agenda te plaatsen.

Brussel I-bis Verordening vs Insolventieverordening: waar ligt de grens?

Wanneer wordt een vordering ingesteld in het kader van een faillissement? Behoort een vordering ingesteld te worden op grond van het burgerlijke of handelsrecht, of toch het insolventierecht? Burgerlijke en handelszaken vallen onder de Brussel I-bis Verordening, de opvolger van de EEX-Verordening. De (nieuwe) Insolventieverordening verschaft aan de rechter de bevoegdheid als een vordering op grond van het insolventierecht is ingesteld.

Werkingssfeer Brussel I-bis en Insolventieverordening

De Brussel I-bis Verordening en de Insolventieverordening sluiten op elkaar aan, waardoor een vordering altijd onder één van beide verordeningen valt. De uitleg van de term burgerlijke en handelszaken is ruim, waardoor de Brussel I-bis Verordening een ruime werkingssfeer kent. Het gevolg is dat de Insolventieverordening juist een beperkte uitleg kent.

Als een insolventieprocedure op grond van de Insolventieverordening is geopend, is de rechter bevoegd om kennis te nemen van vorderingen wanneer aan een dubbel criterium is voldaan. Het moet gaan om 1) een vordering die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeit en 2) daarmee nauw verband houdt. Het eerste criterium ziet op de vraag of het recht op grond waarvan de vordering wordt ingesteld voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijke recht en het handelsrecht, dan wel uit specifiek afwijkende regels voor insolventieprocedures. Het tweede criterium ziet op de intensiteit van het verband tussen de vordering en de insolventieprocedure.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het feit dat een curator partij is in de procedure niet voldoende is om te kunnen spreken van een vordering in een insolventieprocedure. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een crediteur ook na beëindiging van een insolventieprocedure een vordering had kunnen instellen die dan onder de rechterlijke bevoegdheid van de Brussel I-bis Verordening zou vallen. Het gegeven dat de crediteur de vordering instelt tijdens de insolventieprocedure heeft geen invloed op de rechterlijke bevoegdheid.

Daarnaast maakt het enkele feit dat een vordering zijn grondslag vindt in een bepaling die niet in de faillissementswet staat, nog niet dat die vordering niet rechtstreeks uit een insolventieprocedure kan voortvloeien en daarmee nauw verband houdt.

Arresten Hof van justitie

Het Hof van Justitie heeft eind 2017 twee arresten gewezen over de grens tussen de EEX-Verordening en de Insolventieverordening. Met de opvolgende verordening Brussel I-bis en de nieuwe Insolventieverordening is niet beoogd om de afbakeningsgrens tussen beide verordeningen te wijzigen. De door het Hof van Justitie gewezen arresten zijn daarom nog steeds relevant om te bepalen waar de grens ligt tussen de verordeningen.

Tünkers/Expert France

In het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2017 ging het om het volgende. Expert Maschinenbau heeft een exclusieve distributieovereenkomst gesloten met Expert France. Vervolgens komt Expert Maschinenbau in staat van faillissement en verkoopt de curator een bedrijfsonderdeel aan een dochter van Tünkers Maschinenbau (hierna Tünkers). Tünkers meldt aan Expert France dat zij voortaan de bestellingen zal leveren. Expert France ziet dit als een daad van oneerlijke mededinging, omdat zij een exclusieve distributieovereenkomst had gesloten met Expert Maschinenbau en niet met Tünkers. Expert France stelt een vordering in bij de Franse rechter. Tünkers standpunt is dat de rechter niet bevoegd is omdat de vordering rechtstreeks uit een insolventieprocedure zou voortvloeien en daarmee nauw was verbonden. De rechter verwerpt vervolgens het onbevoegdheidsverweer. De hoogste rechterlijke instantie schorst de zaak en dient een prejudiciële vraag ten aanzien van de bevoegdheid in bij het Hof van Justitie.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een vordering gebaseerd op een oneerlijke mededingingsdaad door aankoop van een bedrijfsonderdeel van de curator niet rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeit en ook geen nauw verband houdt. De door Expert France ingediende vordering ziet alleen op het verdedigen van haar eigen belang en niet op de belangen van alle schuldeisers. Daarom is de grondslag van de vordering niet gelegen in de regelgeving voor insolventieprocedures. Tevens houdt het recht geen rechtstreeks verband met het faillissement van Expert Maschinenbau, omdat het deel uitmaakt van het vermogen van Tünkers. Het beroep op de onbevoegdheid van de Franse rechter faalt.

Valach/Waldviertler

Op 20 december 2017 wijst het Hof nog een arrest over de afbakening tussen de twee verordeningen. In deze zaak gaat het om een Slowaakse vennootschap die te maken heeft met een saneringsprocedure, waarbij er een schuldeiserscomité wordt aangesteld. Aan dit schuldeiserscomité wordt een saneringsplan voorgelegd. Het schuldeiserscomité wijst het plan zonder nadere motivering af, met een faillissementsprocedure tot gevolg. Aandeelhouders en partijen die handelsbetrekkingen hebben met de vennootschap stellen zich op het standpunt dat zij door de afwijzing schade hebben geleden, doordat het schuldeiserscomité tekort is geschoten in het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van alle schuldeisers. Zij stellen een vordering in bij de Oostenrijkse rechter. De Oostenrijkse rechter verklaart zich onbevoegd.

De rechter die de insolventieprocedure heeft geopend, was in Valach/Waldviertler juist wel bevoegd om kennis te nemen van de ingestelde vordering. Het Hof van Justitie is van mening dat een vordering tegen een schuldeiserscomité wegens het niet handelen in het gezamenlijke belang van de schuldeisers een vordering is die aan de twee criteria voor een insolventieprocedure voldoet. Een vordering die is ingesteld wegens een tekortkoming door een schuldeiserscomité vloeit rechtstreeks voort uit een insolventieprocedure, omdat dit comité enkel wordt opgericht bij een insolventieprocedure. De beoordeling van de geldende verplichtingen voor het comité houdt daarnaast nauw verband met de insolventieprocedure. De Oostenrijkse rechter heeft zich volgens het Hof van Justitie dus terecht onbevoegd verklaard.

Beoordeling van het dubbel criterium nader uitgelegd

Met deze uitspraken is nadere invulling gegeven aan de beoordeling van het dubbel criterium. Bij het bepalen van de grondslag van de vordering kunnen de verdedigde belangen of de betrokken partijen een indicatie vormen om de toepasselijke verordening vast te stellen. Over enige tijd zal het Hof van Justitie zich ook uitlaten over de vraag onder welke verordening de Peeters/Gatzen-vordering valt. Naar aanleiding van deze uitspraak zal de afbakening van  de verordeningen nog meer verduidelijkt worden.

AVG 25 mei 2018: een keiharde deadline

Alle kranten kopten afgelopen weekend met het bericht dat duizenden bedrijven en (sport)verenigingen nog niet klaar waren voor de AVG (Algemene verordening gegevensbescherming) die op 25 mei 2018 ingaat. Bent u al AVG-proof?

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) stelt: “De AP houdt toezicht op naleving van de AVG en zal zo nodig handhaven. We kunnen én mogen er niet voor kiezen om het handhaven van de AVG uit te stellen.” (NRC, 19 april 2018).

De boetes zijn erg hoog en hoewel de gemiddelde sportvereniging niet onmiddellijk met boetes om de oren zal worden geslagen, is het, met nu nog een maand te gaan, echt zaak om de boel op orde te krijgen.

Maar hoe zit het nu precies voor uw onderneming? U verwerkt zeker ‘gewone’ persoonsgegevens. Misschien verwerkt u ook bijzondere persoonsgegevens. Wat zijn (bijzondere) persoonsgegevens? Hoe moet u ze opslaan? Hoelang mag u persoonsgegevens bewaren? Heeft u uw verwerkingsactiviteiten in een verwerkingsregister staan? Heeft u met degenen die voor u persoonsgegevens verwerken een verwerkersovereenkomst?

Op het internet is heel veel informatie te vinden. Op de website van de AP vindt u de AVG regelhulp en een algemene uitleg. Jeroen Dikker heeft voor u op onze website de informatie kort samengevat .

Het zelf AVG-proof maken van uw onderneming kost u veel tijd. We helpen u daar graag bij.

Het AVG-team van SWDV

SWDV Advocaten heeft de expertise in huis en geeft u AVG-advies op maat: stel uw vraag aan ons AVG-team, zodat u snel weer verder kunt. Wat doen wij voor u?

  • Opstellen privacyverklaring
  • Opstellen verwerkersovereenkomst
  • Check meldplicht datalekken
  • Adviseren over al uw privacy-vragen

SWDV helpt u uw onderneming of vereniging op tijd AVG-proof te krijgen.

Bel 023-5175174 of mail naar privacy@swdv.nl.

 

Vordering uitstoting aandeelhouder besloten vennootschap (geschillenregeling)

Dit artikel is geschreven aan de hand van een vonnis van de voorzieningenrechter (Rechtbank Gelderland 31 augustus 2017).

Vordering in kort geding overdracht aandelen

De aandeelhouders vorderen in kort geding over en weer veroordeling tot overdracht van de aandelen door de andere aandeelhouder. De wettelijke basis hiervoor is artikel 2:336 BW en de procedure moet in beginsel voor de rechtbank (en dus niet in kort geding) gevoerd worden. Er kan aanleiding zijn voor een behandeling in kort geding, maar dat wordt door de voorzieningenrechter in dit geval niet aangenomen.

Spanning tussen aandeelhouders

De twee aandeelhouders nemen via hun holding voor 50% deel in twee ondernemingen. In een BV wordt een winkel gedreven en in de andere worden bouwprojecten uitgevoerd. De aandeelhouders zijn  ook bestuurder en gezamenlijk bevoegd om de BV’s te vertegenwoordigen. Er ontstaat spanning tussen de aandeelhouders en de ene aandeelhouder begint de andere af te schermen van de activiteiten van de winkel. Uiteindelijk wendt de ene aandeelhouder zich tot de Ondernemingskamer met het verzoek om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken binnen de BV’s. Bij de voorzieningenrechter worden de vorderingen tot overdracht ingesteld.

Geen direct gevaar voor bedrijfsvoering

De voorzieningenrechter oordeelt dat de situatie op dit moment niet zo nijpend is dat het aandeelhouderschap van een van beide acuut tot een einde dient te komen. De situatie wordt wel als gespannen aangeduid, maar volgens de rechter bestaat er geen direct gevaar voor het voortbestaan van de in de twee vennootschappen gedreven ondernemingen en de door hen geboden werkgelegenheid. Ondanks de gespannen situatie zouden er tot heden geen aanwijzingen zijn dat de bedrijfsvoering naar buiten toe daadwerkelijk in wezenlijke zin verstoord is geraakt.

Ordemaatregel: schorsing van een van de twee bestuurders

De voorzieningenrechter treft wel een ordemaatregel en schorst een van de twee bestuurders. De maatregel geldt tot de datum waarop de Ondernemingskamer een voorziening treft en lijkt mede bedoeld om de gelegenheid aan partijen te bieden dat zij de verhoudingen binnen de ondernemingen kunnen normaliseren.

Wordt u geconfronteerd met een vordering tot uitstoting en overdracht van uw aandelen of heeft u daar vragen over? Stel deze aan Sebastiaan van Leeuwen.