SLAAG-ZAKREGELING VOORTGEZET ONDERWIJS EN STAATSEXAMEN

Op 24 maart 2020 hebben de ministers van Onderwijs besloten dat het centraal examen (CE), dat op 7 mei zou beginnen, dit schooljaar niet doorgaat en dat leerlingen op basis van de resultaten van het schoolexamen (SE) het diploma kunnen halen.

Dit betekent dat dit schooljaar de schoolexamenresultaten de basis vormen voor het behalen van het diploma. Scholen moeten het SE conform het vastgestelde Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) afronden. Hiervoor hebben ze tot begin juni de tijd. Daarna is er ruimte voor de herkansingen. Als scholen er niet in slagen om alle SE’s voor begin juni af te nemen, mag het PTA aangepast worden. Hiermee moet de medezeggenschapsraad (MR) instemmen en hiervan moet melding worden gemaakt bij de Inspectie van het Onderwijs. In deze gevallen wordt de diplomabeslissing genomen op basis van de tot dan toe afgesloten SE’s. 

Voortgezet onderwijs: vmbo, mavo, havo, vwo, volwassenenonderwijs (vavo)

Er is een tijdelijke slaag-zakregeling gemaakt die bepaalde artikelen uit onder andere het Eindexamenbesluit VO vervangt. Scholen moeten uiterlijk op 4 juni vaststellen welke leerlingen op basis van de schoolexamenresultaten zijn geslaagd of gezakt. Leerlingen die op basis van deze resultaten zouden zijn gezakt of die zijn geslaagd maar hun resultaten willen verbeteren, mogen voor maximaal twee vakken een zogeheten resultaatverbeteringstoets (RV-toets) maken. Dit is een verruiming ten opzichte van de gewone situatie waarin leerlingen in het tweede tijdvak voor één vak het CE mogen herkansen. Hiervoor is gekozen vanwege de uitzonderlijke situatie en het feit dat sommige leerlingen hadden gerekend op het CE om hun cijfers op te halen. Vmbo bb-leerlingen (basisberoepsgerichte leerweg) en kb-leerlingen (kaderberoepsgerichte leerweg) mogen daarnaast ook voor hun beroepsgerichte profielvak een RV-toets maken, dus in totaal voor drie vakken. In de periode na 4 juni tot het begin van de zomervakantie worden de RV-toetsen afgenomen en wordt de diploma-uitreiking georganiseerd.

Staatsexamen

Leerlingen die via het staatsexamen het diploma behalen, zoals leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het volwassenenonderwijs (vavo), doen dat dit schooljaar op basis van alleen het college-examen. Het college-examen vervangt de SE’s in het gewone voortgezet onderwijs. Het college-examen is meestal een mondeling examen, soms aangevuld met een schriftelijk of een praktisch deel. De herkansingsmogelijkheid van staatsexamenkandidaten is dit schooljaar uitgebreid. Staatsexamenkandidaten die met een herkansing een diploma kunnen behalen, kunnen maximaal twee vakken herkansen en kunnen daarbij kiezen uit twee mogelijkheden:

  1. twee mondelinge en/of twee schriftelijke onderdelen (van maximaal twee vakken), of
  2. één mondeling, één schriftelijk en/of één praktisch onderdeel (van maximaal twee vakken).

Voor zowel het vavo als het staatsexamen geldt dat als leerlingen in de komende jaren via een van deze voorzieningen hun diploma willen halen, zij daarbij de behaalde eindcijfers in 2019-2020 kunnen gebruiken. Leerlingen hoeven de CE’s voor al afgesloten vakken dan niet alsnog te doen.

Hardheidsclausule

Leerlingen die door persoonlijke omstandigheden ernstig benadeeld worden door de manier waarop scholen de examenregels dit schooljaar hebben toegepast, kunnen een beroep doen op een hardheidclausule. Als er sprake is van een “onbillijkheid van overwegende aard” – het schoolbestuur moet dan van mening zijn dat de toepassing van de regels voor de individuele leerling onevenredig uitpakt – kan de school een leerling een extra mogelijkheid bieden om een RV-toets te maken. In dat geval kan de directeur ook toestaan dat een leerling met een beperking de RV-toets geheel of gedeeltelijk aflegt op een manier die is aangepast aan de mogelijkheden van die leerling.

Centraal Examen voortgezet onderwijs geannuleerd

Minister Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media heeft op 24 maart 2020 besloten dat het Centraal Examen in het voortgezet onderwijs dit schooljaar niet doorgaat. De schoolexamens worden wel afgemaakt en vormen de basis voor het wel of niet behalen van het diploma. Er komt een speciale “uniforme zak-slaagregeling”. Leerlingen krijgen de mogelijkheid van beroep en herkansing. Informatie hierover wordt later bekendgemaakt.

Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra)

Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra)

De Eerste Kamer heeft op 8 november 2016 het wetsvoorstel Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) aangenomen. De wet is op 28 maart 2017 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2017, 123) en treedt op 1 januari 2020 in werking.

Ambtenaren worden werknemers met een arbeidsovereenkomst

De Wnra wijzigt de Ambtenarenwet – de Ambtenarenwet 1929 wordt vervangen door de  Ambtenarenwet 2017 – en zorgt ervoor dat ambtenaren onder het private arbeidsrecht vallen. Dit betekent dat ambtenaren hun eenzijdige aanstelling verliezen en in plaats daarvan een tweezijde arbeidsovereenkomst krijgen waarop titel 10 van Boek 7 BW (‘Arbeidsovereenkomst’) van toepassing is. De ambtelijke aanstelling wordt automatisch omgezet in een arbeidsovereenkomst (art. 14 lid 1 Ambtenarenwet 2017). De overheidswerkgever en de ambtenaar/werknemer hoeven hiervoor dus geen (schriftelijke) arbeidsovereenkomst te sluiten.

Ambtenarenstatus

De ambtenaren die werknemer worden, behouden hun ambtelijke status. Zij blijven ambtenaar heten. Deze status houdt in dat voor overheidswerknemers speciale regels gelden ten aanzien van integriteit, waaronder nevenwerkzaamheden, geheimhouding, aannemen van giften en het afleggen van de eed of belofte (art. 4 t/m 10 Ambtenarenwet 2017), de beperking van grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting (art. 11 Ambtenarenwet 2017), en voor vertrouwensfuncties (art. 12 en 13 Ambtenarenwet 2017).

Door de Wnra ontstaan er dus twee soorten werknemers:

  1. werknemers in dienst van een private werkgever zonder ambtenarenstatus → op hen is alleen titel 10 van Boek 7 BW van toepassing;
  2. werknemers in dienst van een overheidswerkgever met een ambtenarenstatus (‘overheidswerknemer’) → op hen is zowel titel 10 van Boek 7 BW als de Ambtenarenwet 2017 van toepassing.

Omgekeerde normalisering

De Wnra heeft ook tot gevolg dat sommige werknemers die al een arbeidsovereenkomst hebben de ambtenarenstatus krijgen en in zoverre dus ambtenaar worden. Dit wordt ‘omgekeerde normalisering’ genoemd. Dit komt doordat hun werkgever overheidswerkgever is in de zin van art. 2 Ambtenarenwet 2017. Het gaat bijvoorbeeld om personeel dat in dienst is van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale verzekeringsbank (SVB), De Nederlandsche Bank (DNB), Staatsbosbeheer (SBB), de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de Autoriteit Financiële Markten (AFM), het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), Cultuurfondsen en het Vervangings- en Participatiefonds (primair onderwijs).

‘Blijfambtenaren’

De Wnra geldt niet voor politieke ambtsdragers, benoemde bestuurders van een eenhoofdig bestuursorgaan, benoemde bestuursleden van een publiekrechtelijke rechtspersoon, leden van Hoge Colleges van Staat (Eerste en Tweede Kamer, Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman), rechters, officieren van justitie, notarissen, gerechtsdeurwaarders, politieambtenaren en burgerlijke defensieambtenaren en militairen (art. 3 Ambtenarenwet 2017). Zij blijven werkzaam op basis van een eenzijdige ambtelijke aansteling. Voor deze ‘blijfambtenaren’ verandert er dus niets.

Wijziging rechtspositie en ontslagrecht

Als gevolg van de Wnra verandert de rechtspositie en, dientengevolge, het ontslagrecht. Ontslag vindt niet langer plaats volgens de regels van de desbetreffende rechtspositieregeling en het bestuursrecht (Awb) maar volgens de regels van titel 10 van Boek 7 BW en het burgerlijk procesrecht (Rv). Terwijl een ambtenaar wordt ontslagen door een (ontslag)besluit waartegen hij bezwaar kan maken en beroep en hoger beroep kan instellen bij de bestuursrechter (rechtbank, Centrale Raad van Beroep), kan de arbeidsovereenkomst met een werknemer worden beëindigd door opzegging (met schriftelijke instemming van de werknemer of, bij reorganisatie of arbeidsongeschiktheid die ten minste twee jaar heeft geduurd, met toestemming van het UWV), ontbinding door de kantonrechter (bij in de persoon van de werknemer gelegen omstandigheden, zoals disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie) of een beëindigingsovereenkomst. Als het UWV de toestemming heeft geweigerd, kan de werkgever de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Tegen elke uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof en kan daarna beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.

Anders dan in het ambtenarenrecht, dat gekenmerkt wordt door de zogeheten repressieve ontslagtoets, wordt een ontslag in het arbeidsrecht dus vooraf getoetst. Dit wordt de preventieve ontslagtoets genoemd.

Dat ambtenaren een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht krijgen, betekent ook dat zij na beëindiging van hun arbeidsovereenkomst in beginsel recht hebben op de transitievergoeding en eventueel op een billijke vergoeding.

Behoud arbeidsvoorwaarden

De Wnra brengt geen verandering in de arbeidsvoorwaarden. De ambtenaar die werknemer wordt, behoudt zijn arbeidsvoorwaarden inclusief de ten aanzien van hem bestaande beslissingen, afspraken en toezeggingen inzake zijn arbeidsvoorwaarden, waaronder in ieder geval zijn begrepen de duur van het dienstverband, bezoldiging, werktijden, rooster, verlof, faciliteiten voor de uitoefening van de functie en studiefaciliteiten (art. 14 lid 1 Ambtenarenwet 2017). Totdat er op grond van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet cao) een privaatrechtelijke collectieve arbeidsovereenkomst (cao) is gesloten, blijft de desbetreffende rechtspositieregeling van kracht met dien verstande dat de rechtspositieregeling vanaf 1 januari 2020 wordt geacht een cao te zijn (art. 17 lid 3 Ambtenarenwet 2017).

Openbaar onderwijs

In het primair, voortgezet en speciaal onderwijs komen twee varianten voor waarin binnen één stichting zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt gegeven: het samenwerkingsbestuur en de samenwerkingsschool. Het samenwerkingsbestuur is een stichting die afzonderlijke openbare en bijzondere scholen in stand houdt (art. 17 WPO, art. 53c WVO, art. 28 WEC). De samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. De samenwerkingsschool wordt in stand gehouden door een stichting die bijzondere scholen in stand houdt of een stichting openbaar onderwijs (‘overheidsstichting’, art. 48 WPO, art. 42b WVO, art. 51 WEC) of een stichting samenwerkingsbestuur (art. 17d WPO, art. 53d WVO, art. 28j WEC). Personeel dat in dienst is van een stichting samenwerkingsbestuur en werkzaam is aan een openbare school die door die stichting in stand wordt gehouden, heeft een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (art. 17 lid 4 WPO, art. 53c lid 4 WVO, art. 28 lid 4 WEC). Personeel dat werkt in het openbaar onderwijs van een samenwerkingsschool heeft een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als de school in stand wordt gehouden door een stichting die bijzondere scholen in stand houdt of een stichting samenwerkingsbestuur. Wordt de samenwerkingsschool in stand gehouden door een stichting openbaar onderwijs (‘overheidsstichting’), dan heeft dat personeel een ambtelijke aanstelling (Kamerstukken II 2015-2016, 34 512, nr. 3, p. 22, 34, 35).

Voor het overige wordt openbaar onderwijs gegeven in een rechtsvorm die onder de definitie van overheidswerkgever valt (art. 2 Ambtenarenwet 2017). In het primair, voortgezet en speciaal onderwijs komen de volgende rechtsvormen voor: de gemeente (‘integraal bestuur’ door het college van B&W), de bestuurscommissie ex art. 83 Gemeentewet, het openbaar lichaam ex art. 8 Wet gemeenschappelijke regelingen, de openbare rechtspersoon (art. 47 WPO, art. 42a WVO, art. 50 WEC) en (‘overheidsstichting’, art. 48 WPO, art. 42b WVO, art. 51 WEC). In de sectoren universiteiten, onderzoekinstellingen (de Koninklijke Bibliotheek [KB], de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen [KNAW] en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek [NWO]) en universitaire medische centra (umc’s) zijn alle openbare instellingen publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 1.5, 1.8, 1.13, 1.16 WHW en art. 2 Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek).

Het personeel dat in dienst is van dit openbaar onderwijs krijgt vanaf 1 januari 2020 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en zou, omdat hun werkgever overheidswerkgever is, ook de ambtenarenstatus krijgen, ware het niet dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 22 november 2018 een wetsvoorstel heeft ingediend dat ertoe strekt dit personeel uit te zonderen van de Ambtenarenwet 2017 (Kamerstukken 35 089). Hiertoe wordt het begrip overheidswerkgever aangepast. Deze groep werknemers wordt wel ‘vertrekambtenaren’ genoemd.

Er zijn twee redenen waarom voorgesteld wordt het personeel in het openbaar onderwijs uit te sluiten van de werking van de Ambtenarenwet 2017. De eerste reden is dat anders opnieuw een tweedeling binnen de sector onderwijs ontstaat, te weten werknemers in het bijzonder onderwijs op wie het private arbeidsrecht van toepassing is en werknemers in het openbaar onderwijs op wie naast het private arbeidsrecht ook de Ambtenarenwet 2017 van toepassing is. De tweede reden is dat de bepalingen van deze wet vooral geschreven zijn voor het werken in het openbaar bestuur en daarom minder goed passen bij de praktijk van het onderwijs.

Op 12 juni 2019 hebben de Tweede Kamerleden Veldman en Tielen een amendement ingediend waarmee zij verzoeken dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO eveneens wordt uitgesloten van de werking van de Ambtenarenwet 2017 (Kamerstukken II 2018-2019, 35 089, nr. 8).

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inclusief dit amendement op 18 juni 2019 aangenomen.

De ketenregeling

De Eerste Kamer heeft op 16 april 2019 het wetsvoorstel Aanpassingswet Wnra aangenomen. De wet is op 16 mei 2019 in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2019, 173) en treedt op 1 januari 2020 in werking. Met deze wet is onder andere in art. 14 Ambtenarenwet 2017 een nieuw derde lid ingevoegd:

”Met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel I van de [Wnra] worden aanstellingen verleend voorafgaand aan de aanstelling, bedoeld in het eerste lid, als arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht beschouwd.”

Deze bepaling houdt in dat eerdere (tijdelijke) aanstellingen die vooraf zijn gegaan aan de (tijdelijke) aanstelling die op 1 januari 2020 automatisch wordt omgezet in een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst ook worden beschouwd als arbeidsovereenkomsten zodat ze deel uitmaken van de keten van art. 7:668a BW indien de tussenliggende periode(s) niet langer is (zijn) geweest dan zes maanden. Deze eerdere tijdelijke aanstellingen tellen in dat geval ook mee voor het recht op en de hoogte van de transitievergoeding, voor de regeling van de proeftijd en voor de berekening van de opzegtermijn (Kamerstukken II 2018-2019, 35 073, nr. 6). Dit betekent dat een (verlengde) tijdelijke aanstelling die op of na 1 januari 2020 eindigt dan automatisch kan zijn omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Overgangsrecht

Besluiten die vóór 1 januari 2020 zijn genomen en bekend gemaakt, behouden hun geldigheid en daarop blijven het ‘oude’ materiële ambtenarenrecht en het procesrecht van de Awb van toepassing. Daartegen ingestelde bezwaar- of beroepsprocedures worden gevoerd volgens de regels van het bestuursrecht (art. 16 Ambtenarenwet 2017).

Ten aanzien van een ontslagbesluit heeft dit de volgende consequenties:

  • De overheidswerkgever neemt vóór 1 januari 2020 een ontslagbesluit waardoor de aanstelling na 1 januari 2020 eindigt; de ambtenaar maakt geen bezwaar: de aanstelling wordt niet omgezet in een arbeidsovereenkomst, de ambtenaar heeft geen recht op de transitievergoeding;
  • De overheidswerkgever neemt vóór 1 januari 2020 een ontslagbesluit waardoor de aanstelling na 1 januari 2020 eindigt; de ambtenaar maakt bezwaar en stelt (hoger) beroep in; de bestuursrechter vernietigt het besluit: de aanstelling herleeft en wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 omgezet in een arbeidsovereenkomst;
  • De overheidswerkgever neemt vóór 1 januari 2020 een ontslagbesluit waardoor de aanstelling na 1 januari 2020 eindigt; de ambtenaar maakt bezwaar en stelt (hoger) beroep in; de bestuursrechter vernietigt het besluit maar laat de rechtsgevolgen ervan in stand (verklaart de rechtsgevolgen voor gedekt): de aanstelling is door het vernietigde ontslagbesluit geëindigd zonder dat zij is omgezet in een arbeidsovereenkomst, en de ambtenaar heeft geen recht op de transitievergoeding.

SWDV Advocaten breidt team Onderwijs uit

v.l.n.r.: Rob Wiebosch, Marianne Biezenaar, Suzanne van Thoor, Jeroen Dikker

HAARLEM – SWDV Advocaten in Haarlem en Hoofddorp breidt het team Onderwijs uit. Met de komst van Rob Wiebosch en Suzanne van Thoor, beiden afkomstig van Pot Jonker Advocaten, is SWDV Advocaten een toonaangevende speler in het onderwijsrecht.

Meer vraag naar onderwijsrecht advocaten

Bestuurder en advocaat Anna Paternotte: “Wij zijn erg blij met de komst van deze twee ervaren advocaten.  Het onderwijsrecht is volop in beweging. Er is steeds meer vraag naar juridisch advies in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs.”

Volgens Paternotte spreekt de werkwijze van SWDV beide overstappers erg aan.  “Wij zijn een innovatief kantoor. Onze klanten hebben één contactpersoon, wij werken samen en delen kennis, weten wat er speelt  in de branche en bij de klant. Daardoor kunnen wij problemen vaak vóór zijn.”

Rob Wiebosch

Rob Wiebosch (64) heeft ruim dertig jaar ervaring in onderwijs- en arbeidsrecht. Hij is sinds 1977 advocaat in Haarlem, de laatste jaren als partner bij Pot Jonker Advocaten. Rob Wiebosch is vaste advocaat van een groot aantal basis- en middelbare scholen, ROC’s en hogescholen. “Ik was er snel uit met SWDV Advocaten. De lijnen zijn kort, de communicatie is helder en de klant staat echt centraal.” Rob is op 1 oktober 2015 bij SWDV gestart.

Suzanne van Thoor

Suzanne van Thoor (36) is op 1 september 2015 begonnen bij SWDV Advocaten. Zij is sinds 2007 advocaat en is gespecialiseerd in onderwijsrecht en bestuursrecht. “Ik voel me na een maand al aardig thuis bij SWDV Advocaten.  Dat komt mede door de no-nonsense mentaliteit en de innovatieve manier van advocatuur bedrijven. Voor mij is van belang dat ik de klanten in het onderwijs vanuit een nog breder perspectief kan bijstaan.”

Over SWDV Advocaten

SWDV Advocaten is een middelgroot advocatenkantoor met ruim 20 juridische experts. Klanten zijn (semi-)overheden, ondernemers en particulieren. SWDV heeft vestigingen in Haarlem en Hoofddorp.

www.swdv.nl  ‘Omdat u van ons meer mag verwachten’

Meer informatie bij mr. Anna Paternotte

 

Toepassing CRvB-formule in het onderwijs

Toepassing CRvB-formule bij toekenning vergoeding aan docent in bijzonder onderwijs

In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 april 2014 heeft de kantonrechter te Zutphen de CRvB-formule toegepast bij het toekennen van een vergoeding aan een werknemer in het bijzonder onderwijs (JAR 2014/167). De CRvB-formule wordt ook wel de kantonrechtersformule voor ambtenaren genoemd.

Arbeidsconflict

De werknemer is sinds 1978 in dienst van een bijzondere onderwijsinstelling en als docent Lichamelijke Opvoeding en Techniek werkzaam op een school voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het voortgezet onderwijs (CAO-VO) van toepassing.

Tussen partijen is in 2011 een arbeidsconflict ontstaan. Partijen hebben diverse gesprekken gevoerd, soms onder begeleiding van een psycholoog, om dit conflict op te lossen maar dat is niet gelukt. De werkgever heeft de werknemer voorgesteld om op twee andere scholen aan het werk te gaan. De werknemer is hierop niet ingegaan.

In 2013 heeft de werkgever de werknemer overgeplaatst naar een andere school. De werknemer heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep, die het beroep gegrond heeft verklaard. De Commissie van Beroep is van mening dat de werkgever onvoldoende heeft onderbouwd waarom de overplaatsing gerechtvaardigd is en dat er sinds 2011 ten onrechte geen functionerings- of beoordelingsgesprekken zijn gevoerd.

Na de uitspraak van de Commissie van Beroep zijn partijen een mediationtraject ingegaan. Dit traject is in december 2013 geëindigd. De werkgever verzoekt de kantonrechter in maart 2014 om de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat er een onwerkbare situatie is ontstaan en er geen vertrouwen meer is in een vruchtbare samenwerking.

Ontbinding arbeidsovereenkomst

De kantonrechter oordeelt dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is, zodat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.

Wat betreft de vergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. De werkgever heeft enerzijds niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende heeft gedaan om overplaatsing te voorkomen en anderzijds na april 2012 voldoende zorgvuldig toegewerkt naar een oplossing. Dat dit niet tot resultaat heeft geleid, is te wijten aan de opstelling van de werknemer die is blijven inzetten op een terugkeer op de school terwijl hem een objectief gezien geschikte functie was aangeboden. De opstelling van de werknemer is tot op zekere hoogte begrijpelijk.

De kantonrechter kent aan de werknemer een vergoeding toe. Aangezien de werknemer aanspraak kan maken op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, baseert de kantonrechter de vergoeding echter niet op de kantonrechtersformule maar op de CRvB-formule, die ook wel de kantonrechtersformule voor ambtenaren wordt genoemd. De kantonrechter gaat uit van correctiefactor 0,5 en telt, naast het salaris en de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de inkomenstoeslag mee. Hiermee komt de vergoeding uit op een bedrag van € 40.000,- bruto.

Extra ontslagvergoeding: de CRvB-formule

Als een ambtenaar wordt ontslagen omdat de verhouding met de werkgever vooral door toedoen van die werkgever onherstelbaar is verstoord of in een impasse is geraakt, heeft hij naast de WW-uitkering en de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering recht op een extra ontslagvergoeding. De bovenwettelijke werkloosheidsuitkering is geregeld in de desbetreffende rechtspositieregeling. In het openbaar (ambtenaar) en bijzonder onderwijs (werknemer) is deze geregeld in de CAO, in dit geval de CAO-VO.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in ambtenarenzaken, heeft op 28 februari 2013 twee uitspraken gedaan waarin hij voor de berekening van deze extra ontslagvergoeding een speciale formule heeft gemaakt, de CRvB-formule (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044). De formule luidt:

A (aantal dienstjaren : 2) x B (bruto maandsalaris inclusief vakantiegeld) x C (correctiefactor 0,5 of 0,75 of 1).

De hoogte van de correctiefactor is afhankelijk van het aandeel van de werkgever in het ontstaan of voortbestaan van de verstoorde arbeidsrelatie of impasse. Als het aandeel van de werkgever 51-65% is, is de correctiefactor 0,5. Als het aandeel 65-80% is, is de correctiefactor 0,75 en als het aandeel 80-100% is, is de correctiefactor 1.

Als een werknemer in het bijzonder onderwijs die aanspraak maakt op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, een vergoeding krijgt, houdt de kantonrechter bij het vaststellen van de vergoeding daarmee bijna altijd rekening. Dit gebeurt door het bedrag van de vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een zeker bedrag te verminderen. Bijvoorbeeld met het bedrag van de bovenwettelijke uitkering dat de werknemer ontvangt gedurende de verwachte periode van werkloosheid.

Waarom de CRvB-formule?

Omdat in dit geval de arbeidsovereenkomst werd ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie en de werknemer, net zoals een ambtenaar, aanspraak maakt op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, kon de kantonrechter de CRvB-formule toepassen. Dat de docent geen ambtenaar maar werknemer is, maakt hier in zoverre dus geen verschil.

Aanpassing van CRvB-formule

In deze zaak valt op dat de kantonrechter, anders dan de ‘echte’ CRvB-formule voorschrijft, niet alleen het salaris en het vakantiegeld maar ook de eindejaarsuitkering en de inkomenstoelage meetelt.

Voor vragen over ontslag in het onderwijs en de CRvB-formule kunt u contact opnemen met Jeroen Dikker.