Van Wob naar Woo

Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. De Woo vervangt de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Suzanne van Thoor beschrijft hieronder de belangrijkste veranderingen onder de Woo.

Alle bestuursorganen op termijn verplicht tot actieve openbaarmaking aangewezen informatie

De grootste verandering en belangrijkste verandering onder de Woo, is dat alle bestuursorganen op termijn verplicht zijn tot actieve openbaarmaking van aangewezen informatie. In hoofdstuk 3 Woo is bepaald welke informatie, door welk bestuursorgaan en op welke termijn openbaar dient te worden gemaakt.

Wijzigingen bij openbaarmaking op verzoek, geen overgangsrecht

Voor wat betreft openbaarmaking op verzoek, is hoofdstuk 4 en 5 Woo van belang. De Woo voorziet niet in overgangsrecht met betrekking tot de bepalingen over openbaarmaking op verzoek. Derhalve zijn deze bepalingen van de Woo dan ook per 1 mei 2022 in werking getreden.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen onder de Woo?

  • Een ieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf (art. 4.1 lid 1).
  • Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze (art. 4.1 lid 2).
  • Indien een verzoek om informatie te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam (art. 4.1. lid 5).
  • Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering (art. 4.1 lid 6).
  • Indien het verzoek betrekking heeft op informatie die op grond van enig wettelijk voorschrift bij het bestuursorgaan had behoren te berusten, vordert het bestuursorgaan de gevraagde informatie van degene die over de informatie beschikt (art. 4.2 lid 2). NB: ter handhaving van dit artikel is het bestuursorgaan bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom (art. 8.5).
  • De termijn voor het afhandelen van een verzoek wordt maximaal vier weken (art. 4.4 lid 1, met een mogelijke verlenging van twee weken (dat was vier weken) (art. 4.4 lid 2).
  • Indien een voldoende gespecificeerd verzoek zodanig omvangrijk is dat niet binnen de termijn van artikel 4.4. lid 1 kan worden beslist, treedt het bestuursorgaan voor het einde van de termijn in overleg met de verzoeker over de prioritering van de afhandeling van het verzoek (art. 4.2a).
  • Er is één nieuwe absolute weigeringsgrond toegevoegd: nationale identificatienummer (art. 5.1 lid 1 sub e).
  • Naast de bekende relatieve uitzonderingsgronden (art. 5.1 lid 2 sub a t/m e), zijn er vier nieuwe relatieve weigeringsgronden in artikel 5.1 lid 2 sub f t/m i toegevoegd:

    f. concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens die niet vertrouwelijk zijn medegedeeld;
    g. bescherming van het milieu waarop de informatie betrekking heeft;
    h. beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
    i. goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
  • Belang van geadresseerde om als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie wordt tijdelijk (art. 5.1 lid 4). Dit was voorheen bepaald in artikel 10 lid 2 sub f Wob.
  • In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid (art. 5.1 lid 5).
  • Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan: ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter (art. 5.2);
  • Van informatie ouder dan vijf jaar is het uitgangspunt dat deze openbaar wordt gemaakt. Indien deze niet openbaar wordt gemaakt, geldt een verzwaarde motiveringsplicht (art. 5.3).

Meer weten over de Woo? Bij SWDV Advocaten helpen we u graag met uw vragen over de Wet open overheid en kunnen wij van dienst zijn bij Woo-verzoeken.

Voorzieningenrechter oordeelt dat eisen Didam-arrest niet nieuw zijn, grote gevolgen voor gemeenten

De voorzieningenrechter te Utrecht heeft bij vonnis van 18 maart 2022, geoordeeld dat de door de Hoge Raad in het arrest van 26 november 2021, het zogenoemde Didam-arrest, neergelegde eisen niet nieuw zijn. Het is volgens de voorzieningenrechter een uitwerking van het reeds geldende gelijkheidsbeginsel. De invulling van bestaand recht kan niet worden gezien als nieuwe regelgeving.

Stellingen gemeente en eiser in kort geding

De gemeente Nieuwegein had reeds een jaar voor het Didam-arrest onderhands een onroerende zaak verkocht aan Shell, maar nog niet geleverd. Eiser vorderde in kort geding onder andere dat het de gemeente verboden werd te leveren aan een derde, anders dan na het doorlopen van een openbare selectieprocedure met objectieve, toetsbare en redelijke criteria. De gemeente voerde aan dat zij bij verkoop van de onroerende zaak niet bekend was met de in het Didam-arrest neergelegde regels. Het ging volgens haar om nieuwe regels (of een toepassing van nieuwe regels) die niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.

Oordeel voorzieningenrechter

Geen nieuwe regels, maar uitvloeisel van gelijkheidsbeginsel

De voorzieningenrechter is daar niet in mee gegaan en heeft onder meer geoordeeld dat de gemeente ten tijde van de verkoop aan Shell al gebonden was aan het gelijkheidsbeginsel. Ook overweegt de voorzieningenrechter dat de Hoge Raad dit beginsel slechts verder ingevuld heeft met de verplichting om bij verkoop van schaarse onroerende zaken potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om mee te dingen. Deze invulling van bestaand recht kan volgens de voorzieningenrechter niet worden gezien als nieuwe regelgeving. De voorzieningenrechter neemt aan dat de eisen die de Hoge Raad thans geformuleerd heeft slechts een uitvloeisel zijn van het gelijkheidsbeginsel en dat de gemeente in overeenstemming met die eisen had behoren te handelen.

Gemeente moet onroerende zaak opnieuw te koop aanbieden

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen vervolgens toe en stelt de gemeente in de gelegenheid om alsnog de onroerende zaak te verkopen met inachtneming van de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld in het Didam-arrest.

Algemeen belang gaat voor eventuele schadeplichtigheid richting eerdere koper

Dat (indien Shell niet alsnog, na het volgen van de juiste procedure, de onroerende zaak koopt) de gemeente schadeplichtig kan zijn richting Shell, staat aan de toewijsbaarheid van de vorderingen volgens de voorzieningenrechter niet in de weg, temeer niet omdat de levering van de kavel nog niet heeft plaatsgevonden en de gemeente dus nog steeds eigenaar is. Het algemene belang dat burgers er op moeten kunnen vertrouwen dat een overheidslichaam handelt met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dermate zwaar dat het belang van de gemeente om uitvoering te kunnen geven aan de koopovereenkomst met Shell daarvoor moet wijken.

Gevolgen voor overheid

Dit vonnis heeft wezenlijke gevolgen voor overheidsorganen, waaronder gemeenten, die reeds voor het Didam-arrest onroerende zaken hebben verkocht zonder dat de eisen die neergelegd zijn in het Didam-arrest zijn gevolgd, zeker indien de onroerende zaken nog niet geleverd zijn. Overheidsorganen dienen op grond van dit vonnis in dat geval te bezien of de levering van de onroerende zaken door kan gaan, of dat de onroerende zaak alsnog conform de eisen opnieuw aangeboden dient te worden op de markt. Overheidsorganen kunnen daardoor in de situatie komen dat zij een reeds verkochte onroerende zaak opnieuw dienen aan te bieden en schadeplichtig worden jegens de partij die reeds eerder de onroerende zaak gekocht had.

Het Didam-arrest zal de juridische gemoederen nog wel een tijd bezig houden. Het is afwachten op de eerste uitspraken in bodemprocedures en arresten van de hoven.

Heeft u vragen over (de gevolgen van) het Didam-arrest, ons team Overheid helpt u graag.

Overheid moet gelijke kansen bieden bij verkoop grond

Overheden mogen grond niet exclusief aan één partij aanbieden. Alle gegadigden moeten in een openbare biedingsprocedure de gelegenheid krijgen om te bieden op het perceel. Dat heeft de Hoge Raad recent geoordeeld. Hiermee slaat de Hoge Raad een nieuwe weg in. Tot aan dit arrest was het namelijk vaste rechtspraak dat overheden bij zuivere grondverkoop geen aanbestedingsplicht hebben.

Wat was er aan de hand?

De gemeente Montferland verkocht een perceel grond aan een projectontwikkelaar, terwijl er ook belangstelling voor het perceel was getoond door een vastgoedonderneming. De vastgoedonderneming was het met die verkoop dan ook niet eens. Hij vond dat het de gemeente niet vrij stond om het perceel één-op-één te verkopen aan de projectontwikkelaar, zonder hem de kans te geven om daar ook op te bieden. De rechtbank en het hof waren het niet met hem eens. Van de Hoge Raad kreeg de vastgoedonderneming wel gelijk. Het gelijkheidsbeginsel staat één-op-één verkoop van onroerende zaken door de overheid in de weg als er mogelijk meerdere serieuze gegadigden zijn voor de betreffende onroerende zaak.

Oordeel van de Hoge Raad

Het gelijkheidsbeginsel is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarmee moeten overheden ook rekening houden als zij hun privaatrechtelijke bevoegdheden uitoefenen, zoals het sluiten van een koopovereenkomst. Het gelijkheidsbeginsel brengt in dit geval met zich mee dat overheden die een onroerende zaak willen verkopen gelijke kansen moeten bieden aan alle gegadigden via een openbare selectieprocedure met selectiecriteria die objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Ook moeten overheden een ‘passende mate van openbaarheid’ verzekeren (transparantiebeginsel). Dat betekent dat zij  vooraf duidelijkheid moeten scheppen over de onroerende zaak die verkocht gaat worden, op basis van welke selectiecriteria dat gaat gebeuren, hoe de selectieprocedure eruitziet en wat het tijdschema is. De gemeente had daarom de vastgoedonderneming in de gelegenheid moeten stellen om mee te dingen naar het stuk grond.

Uitzondering mogelijk?

Alleen als op voorhand op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria duidelijk is dat er maar één serieuze gegadigde is, mag een openbare selectieprocedure achterwege blijven. Wel moeten overheden dan tijdig voorafgaand aan de verkoop die verkoop bekend maken zodat iedereen er kennis van kan nemen én motiveren waarom zij aannemen dat bij voorbaat vaststaat dat er slechts één gegadigde voor de verkoop in aanmerking komt.

De gevolgen voor de praktijk

Met dit arrest gelden er nieuwe regels voor de verkoop van onroerende zaken door de overheid. Het is van belang dat gemeenten zich dit realiseren, zodat voorkomen kan worden dat gegadigden achteraf van de rechter gelijk krijgen omdat zij door een één-op-één verkoop achter het net visten en geen gelijke kans kregen om te bieden op het perceel.

Heeft u vragen of heeft u advies nodig?

Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan contact op met Martijn Langhout.

Uitspraak Hof van Justitie EU heeft grote gevolgen voor het bestuursprocesrecht in milieuzaken

Uit een belangrijke uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2021 volgt dat op grond van het Verdrag van Aarhus niet langer belanghebbenden een zienswijze moeten hebben ingediend om ontvankelijk in hun beroep te zijn tegen besluiten over milieuzaken. Dat staat in ieder geval vast voor milieuorganisaties. Daarnaast lijkt het erop dat het Hof meent dat ook niet-belanghebbenden toegang tot de rechter moeten hebben gelet op de ruime inspraakmogelijkheid in het Nederlands recht.

Toegang tot de rechter – Belanghebbenden en Artikel 6:13 Awb

Op de voorbereiding van besluiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, zoals omgevingsvergunningen, is de uniforme voorbereidingsprocedure van toepassing (afdeling 3.4 Awb). In dat kader kan ‘eenieder’ een zienswijze inbrengen tegen het ontwerpbesluit. Vervolgens mogen alleen belanghebbenden beroep instellen bij de bestuursrechter (artikel 8:1 Awb). Daarbij geldt dat geen beroep kan worden ingesteld door degene (de belanghebbende) aan wie redelijkerwijs verweten kan worden geen zienswijze naar voren te hebben gebracht (de personenfuik ex artikel 6:13 Awb).

Prejudiciële vragen

De rechtbank Limburg stelde op 21 december 2018 prejudiciële vragen aan het Hof om te bezien of de procedure regels, zoals hiervoor genoemd, in overeenstemming zijn met het Verdrag van Aarhus, namelijk (1) kan een belanghebbende milieuorganisatie worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend en (2) kan een niet-belanghebbende, die op grond van het Nederlands recht een zienswijze mag indienen en dus mag deelnemen aan de uniforme voorbereidingsprocedure, ook bij de rechter opkomen tegen het handelen van een overheidsinstantie in milieuzaken. Het Verdrag van Aarhus gaat namelijk over de inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. 

Uitspraak Hof

Artikel 6:13 Awb

Het Hof overweegt dat de toegang tot de rechter door milieuorganisaties die deel uitmaken van het “betrokken publiek” (belanghebbenden zijn) niet afhankelijk mag worden gesteld van hun deelname aan het besluitvormingsproces. Dit betekent dat hen niet kan worden verweten geen zienswijze ex artikel 6:13 Awb te hebben ingediend.

Toegang voor niet-belanghebbende

Het Hof overweegt vervolgens ook nog dat wanneer er in het nationale milieurecht ruimere inspraakmogelijkheden gelden voor personen die niet tot het betrokken publiek horen (niet-belanghebbenden), deze toegang dienen te hebben tot de rechter om zich te beroepen op dit inspraakrecht. Het lijkt erop dat niet-belanghebbenden toegang tot de rechter moeten hebben om hun inspraakrechten af te kunnen dwingen.  

De gevolgen voor de praktijk

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had al eerder de ontvankelijkheid in het midden gelaten van een belanghebbende na het verschijnen van de conclusie van Advocaat-Generaal Bobek voorafgaand aan de uitspraak van het Hof (ECLI:NL:RVS:2020:2501). Naar verwachting zullen alle rechters in  milieuzaken artikel 6:13 Awb niet meer  (kunnen) toepassen als het gaat om belanghebbende milieuorganisaties. Wij verwachten dat dit ook gevolgen heeft voor andere belanghebbenden (andere leden van het betrokken publiek dan milieuorganisaties). Het draait immers in de uitspraak om het criterium ‘betrokken publiek’. De wetgever is aan zet om het Nederlands recht aan te passen aan de uitspraak van het Hof.

Praktisch geldt het volgende. Voor partijen die op willen komen tegen besluiten met nadelige gevolgen voor het milieu is deze ontwikkeling gunstig. Zij kunnen beroep instellen zonder eerst een zienswijze te hebben moeten indienen. Maar dit ligt anders voor bestuursorganen en vergunninghouders die pas na het verstrijken van een beroepstermijn kunnen weten wie beroep instelt. Het is mogelijk dat pas bij de rechter duidelijk wordt in welke onderdelen van een besluit een belanghebbende zich niet kan vinden en dat zijn standpunt tot een ander besluit of een andere motivering van het besluit had moeten leiden. Het kan tactisch procederen in de hand werken. Of dat ook daadwerkelijk zal gebeuren, is afwachten.

Voor wat betreft de kring van belanghebbenden lijkt het erop dat het Hof van oordeel is dat nu niet-belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen, voor hen ook beroep bij de rechter moet openstaan om in ieder geval zich te kunnen beroep op het recht van inspraak. Het is eerst aan de rechtbank Limburg om te beoordelen hoe die overweging precies uitgelegd dient te worden.

Laatste ontwikkeling: geen zienswijze toch ontvankelijk

Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 29 maart 2021 ruim gevolg gegeven aan de uitspraak van het Hof door te oordelen dat degene die geen zienswijze had ingediend alsnog ontvankelijk was in zijn beroep tegen een inpassingsplan: zie https://www.raadvanstate.nl/@124886/202100063-2-r3/. Dit leidt tot een drastische verandering van het Nederlands bestuursrecht. Iemand hoeft niet langer een zienswijze te hebben ingediend om ontvankelijk te zijn in een beroep tegen een omgevingsrechtelijk besluit.

Heeft u vragen of heeft u advies nodig?

Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan contact op met onze overheidsadvocaten Sanne van der Horst of Marianne Biezenaar.

De crisismaatregel van artikel 7:1 WvGGZ

De Hoge Raad heeft recent uitspraken gedaan die zien op verschillende vraagstukken omtrent de crisismaatregel van artikel 7:1 WvGGZ.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1806 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1808

Hieronder worden twee punten uitgelicht.

Hoorplicht


De Hoge Raad heeft  duidelijkheid gegeven over de hoorplicht van de burgemeester bij het nemen van een crisismaatregel. Op grond van artikel 7:1 lid 3 onder b WvGGZ dient de burgemeester voor het nemen van de crisismaatregel de betrokkene zo mogelijk in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.

Één van de vragen was of de burgemeester af mag gaan op de verklaring van de onafhankelijk psychiater, of dat de burgemeester zichzelf ervan dient te vergewissen of de betrokkene niet gehoord wilde worden.

De Hoge Raad oordeelde het volgende:

In de hiervoor in 3.1.1 genoemde beschikking in zaak 20/01499 is overwogen dat aan de onafhankelijke psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, kan worden toevertrouwd dat hij vaststelt of de betrokkene over de beoogde crisismaatregel kan en wil worden gehoord. Wel kan van de burgemeester worden verlangd dat hij, ingeval bij de aanvraag van de crisismaatregel uitsluitend is vermeld dat de betrokkene niet kan of wil worden gehoord en daarvoor in het bij de aanvraag behorende dossier geen aanknopingspunt te vinden is, nagaat op welke omstandigheden de desbetreffende vermelding berust en dat hij daarvan verantwoording aflegt in zijn besluit. Indien hij heeft nagelaten van zijn bevindingen in het besluit melding te maken, kan dat verzuim ingeval van een beroep tegen de crisismaatregel bij de rechter worden hersteld.

Hoger beroep of cassatie


Daarnaast heeft de Hoge Raad, naast de vraag wie cassatie kan instellen tegen de beslissing van de rechtbank aangaande de crisismaatregel, ook de vraag beantwoord of tegen de beslissing van de rechtbank omtrent een verzochte schadevergoeding in cassatie of in hoger beroep gegaan dient te worden. Het antwoord daarop is dat daartegen in hoger beroep gegaan dient te worden bij het gerechtshof. De Hoge Raad overwoog daarop:

Opmerking verdient dat in een geval als het onderhavige, waarin bij de rechtbank zowel beroep wordt ingesteld tegen de crisismaatregel als een verzoek tot schadevergoeding wordt ingediend, de situatie kan ontstaan waarin tegen de beslissing op het beroep tegen de crisismaatregel cassatieberoep, en tegen de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding hoger beroep wordt ingesteld. In dat geval kan het gerechtshof dat beslist op het hoger beroep, voor zover voor de beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding van belang is of de crisismaatregel rechtmatig is, zijn beslissing aanhouden totdat in cassatie over die rechtmatigheid is beslist.

Deze uitspraken van de Hoge Raad geven de benodigde duidelijkheid en handvatten voor de praktijk.

Verboden staatssteun bij grondaankoop door gemeente met desastreuze gevolgen

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2020 arrest gewezen in de al jaren lopende procedures tussen de gemeente Harlingen en Spaansen. ECLI:NL:HR:2020:1587: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1587.

Wat was er aan de hand?

De gemeente kocht in 2009 het voormalig bedrijfsterrein van vloerenfabriek Spaansen. Afgesproken werd dat de gemeente de koopprijs in twee delen zou voldoen. Toen de tweede termijn betaald moest worden, weigerde de gemeente de betaling met de stelling dat de koopprijs niet marktconform was en dat er sprake is van staatssteun.

Het oordeel van de rechters

De rechters oordelen in drie instanties dat er sprake is van staatssteun. De koopprijs is niet bepaald overeenkomstig de Mededeling inzake staatssteun bij grondtransacties van de Europese Commissie. De gemeente en Spaansen hebben onder andere op basis van een taxatie onderhandeld over de prijs. De koopprijs van de grond is niet marktconform omdat de gemeente de grond in verontreinigde staat heeft gekocht en het risico heeft genomen dat de saneringskosten hoger zouden uitvallen dan het daarvoor geraamde bedrag. Dit had normaal gesproken tot een prijsverlagend effect geleid. Nu de koopprijs niet marktconform is, had de gemeente de overeenkomst moeten aanmelden bij Commissie en dat is ten onrechte nagelaten.

De rechtbank heeft de overeenkomst deels vernietigd. Het gerechtshof en de Hoge Raad zijn echter van oordeel dat de gehele koopovereenkomst nietig is. Gedeeltelijke nietigheid van de koopovereenkomst is niet op zijn plaats omdat de gemeente dan beloond wordt voor het niet melden van de overeenkomst bij de Commissie en bovendien is de koopprijs een zodanig belangrijk onderdeel van de koopovereenkomst dat alleen gehele nietigheid op zijn plaats is.

Het arrest van de Hoge Raad betekent dat de gemeente de grond moet terugleveren, op straffe van een dwangsom van maximaal € 2 mio. De gemeente heeft een deel van de grond echter al geleverd aan derden. Spaansen moet de koopprijs terugbetalen.

vragen?

Heeft u vragen? Neem gerust contact op met Marianne Biezenaar.

Wijzigingen Wet Bibob per 1 augustus 2020

Inleiding

Op 1 augustus 2020 wijzigen de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Bjsg). Op grond van deze regelingen onderzoekt het Landelijk Bureau Bibob op verzoek van bestuursorganen (zoals de burgemeester of het College van Burgemeester en Wethouders) de achtergrond van een (rechts)persoon in het kader van vergunning- en subsidieverlening, bij het aangaan van een vastgoedtransactie of bij het gunnen van een overheidsopdracht en brengt daarover advies uit aan het bestuursorgaan. Als er een ernstig gevaar is dat de beschikking, subsidie of overheidsopdracht zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om geld wit te wassen, kan het bestuursorgaan de beschikking, subsidie of overheidsopdracht weigeren.

Advies Landelijk Bureau Bibob

Voortaan is het advies aan het bestuursorgaan geen twee, maar vijf jaar geldig. Dat betekent echter niet dat er zonder meer van een advies van bijvoorbeeld drie jaar geleden uit mag worden gegaan. Eventuele nieuwe gegevens die ten tijde van het antecedentenonderzoek niet bekend waren (zoals een vrijspraak), moeten wel bij de Bibob-beoordeling worden betrokken.

Antecedentenonderzoek

Tot nu toe konden alleen de justitiële antecedenten van de directe aanvrager van een vergunning of subsidie of een directe wederpartij van de overheid worden onderzocht. Vanaf 1 augustus 2020 mogen ook ‘de personen die achter de schermen feitelijke zeggenschap hebben over degene die de vergunning heeft aangevraagd’ en de ‘zakelijke relaties’ van aanvragers/wederpartijen worden onderzocht. Dat betekent dat personen die direct of indirect:

  • leiding hebben gegeven aan de aanvrager/wederpartij; of
  • zeggenschap hebben gehad over de aanvrager/wederpartij; of
  • vermogen hebben verschaft aan de aanvrager/wederpartij

bij het onderzoek kunnen worden betrokken.

Voorheen was enkel bij strafrechtelijke veroordelingen sprake van feiten omstandigheden die erop wijzen dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Vanaf 1 augustus 2020 is dat ook zo bij:

  • onherroepelijke strafbeschikkingen;
  • voldane transacties;
  • onherroepelijke bestuurlijke boetes;
  • bestuurlijke boetes die in stand zijn gelaten door de bestuursrechter.

Uitbreiding

De beperking tot overheidsopdrachten in de sectoren bouw, ICT en milieu wordt geschrapt, zodat er bij álle overheidsopdrachten een Bibob-onderzoek kan worden uitgevoerd. Immers, alle overheidsopdrachten met een aanzienlijke maatschappelijke waarde zijn kwetsbaar voor criminele activiteiten. Ook een overdracht van erfpacht kan voortaan worden onderzocht als de gemeente in haar contracten heeft opgenomen dat verkoop aan een derde alleen mogelijk is met haar toestemming. Tenslotte kan het Landelijk Bureau Bibob overheidsinstanties tippen om de Wet Bibob toe te passen als het relevante informatie heeft van strafbare feiten.

Toekomstige wijzigingen

Er komt een tweede wijziging aan van de Wet Bibob die onder andere de uitwisseling van informatie tussen Landelijk Bureau Bibob en bestuursorganen en tussen bestuursorganen onderling verruimt.

Vragen of advies?

Heeft u vragen of wilt u advies? Neem dan contact met ons op.

SLUITEN WONING DOOR BURGEMEESTER

Sluitingsbevoegdheid art. 13b lid 1 Opiumwet

Overtreding van de Opiumwet kan tot gevolg hebben dat de burgemeester een woning sluit. Deze bevoegdheid van de burgemeester is gebaseerd op artikel 13b lid 1 Opiumwet. Daarin staat dat de burgemeester een woning kan sluiten als daarin een handelshoeveelheid (meer dan 5 gram softdrugs, 5 hennepplanten en meer dan 0,5 gram harddrugs) verdovende middelen wordt aangetroffen of wanneer in het pand voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duiden op handel. Of de burgemeester zijn sluitingsbevoegdheid kan toepassen, hangt af van de redelijkheid van het gemeentelijk beleid en van de vraag of de gevolgen van het sluitingsbesluit, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om een woning te sluiten, betekent dus niet dat hij ook altijd van die bevoegdheid gebruik mag maken.

Het sluiten van een woning moet dus een doel dienen. Dat kan bijvoorbeeld zijn dat daarmee de bekendheid van een pand als drugspand teniet wordt gedaan en herhaling wordt voorkomen, de zgn. signaalfunctie naar de omgeving.

Onderscheid sociale huursector en particuliere huursector

Over het algemeen wordt met woningbouwcorporaties in een convenant afgesproken op welke wijze eventuele drugshandel in de sociale huur wordt aangepakt. Bij overtreding wordt door woningbouwcorporaties de huurovereenkomst ontbonden en komen de huurders op een lijst waardoor ze gedurende twee jaar geen andere sociale huurwoning in dezelfde gemeente kunnen huren. Deze afspraken worden met particuliere verhuurders (meestal) niet gemaakt.

Mogen burgemeesters bij het sluiten van woningen onderscheid maken tussen de sociale huursector en de particuliere huursector? De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daarover geoordeeld in zijn uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1147).

Ongelijk handelen in gelijke gevallen

De politie had bij de doorzoeking van een particuliere huurwoning in Veghel een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. De burgemeester had daarom de woning voor zes maanden gesloten. De particuliere verhuurder maakte bezwaar tegen het sluitingsbesluit. Hij vond dat het sluitingsbesluit geen doel meer diende, omdat de huurovereenkomst met de huurders was beëindigd. Bovendien heeft de burgemeester in gelijke gevallen ongelijk gehandeld, omdat de burgemeester bij vondst van drugs in een sociale huurwoning niet tot sluiting van de woning overgaat als de woningbouwcorporatie de huurovereenkomst beëindigt. De Afdeling oordeelde bij zijn uitspraak van 24 april 2019 dat het sluitingsbesluit onvoldoende was gemotiveerd en vernietigde daarom het besluit. De burgemeester moest beter motiveren ‘waarom de signaalfunctie in het geval van een woning uit de sociale huursector minder belangrijk zou zijn dan in het geval van een woning in de particuliere huursector’.

Motivatie nieuw besluit

In het nieuwe besluit verklaarde de burgemeester de bezwaren van de particuliere verhuurder opnieuw ongegrond. Hij motiveerde het besluit door dit als volgt toe te lichten:

  • De signaalfunctie van artikel 13b Opiumwet is in de sociale huursector even belangrijk als bij een woning in de particuliere huursector;
  • Op grond daarvan is er ook geen onderscheid te maken;
  • Het onderscheid zit in de afweging van belangen die zijn gediend met een rechtvaardige en sociale verdeling van woningen (de volkshuisvesting) en de belangen die zijn gediend met artikel 13b Opiumwet;
  • Op het gebied van volkshuisvesting hebben woningbouwcorporaties een bijzondere en wettelijke taak die in allerlei regelingen is gewaarborgd;
  • Particuliere verhuurders zijn niet aan die regels gebonden en hebben een meer commercieel motief bij verhuur;
  • Met woningbouwcorporaties zijn convenanten gesloten waarin onder andere is afgesproken dat bij overtreding van de Opiumwet de huurovereenkomst wordt beëindigd en de huurders op een lijst komen waardoor zij gedurende een bepaalde tijd niet in aanmerking komen voor een andere sociale huurwoning. Die afspraken zijn met particuliere verhuurders niet gemaakt.

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Ook tegen dit besluit heeft de particuliere verhuurder beroep ingesteld. De burgemeester had bij zijn besluitvorming niet (ook) het belang van de volkshuisvesting mogen betrekken, omdat de volkshuisvesting niet het tegengaan van overtredingen van de Opiumwet tot doel heeft. Daarnaast zou uit het nieuwe besluit nog steeds niet blijken waarom de signaalfunctie bij particuliere huurwoningen belangrijker is dan bij woningen in de sociale huursector.

De Afdeling oordeelde op 29 april 2020 dat de burgemeester bij de beoordeling of een sluiting noodzakelijk is, ook andere belangen dan die gediend zijn bij het optreden tegen drugshandel mag betrekken, zoals het belang van volkshuisvesting.

Daarbij mag de burgemeester betekenis toekennen aan de wettelijke waarborgen die gelden voor woningbouwcorporaties en het transparante toewijzingsbeleid die zij hanteren. Woningbouwcorporaties mogen immers, anders dan particuliere verhuurders, niet elke willekeurige persoon huisvesten, waardoor particuliere verhuurders niet gelijk kunnen worden gesteld aan woningbouwcorporaties. Mede gelet op het commerciële belang dat particuliere verhuurders hebben, dienen zij niet in dezelfde mate het belang van de volkshuisvesting als woningbouwcorporaties. Daarmee heeft de burgemeester voldoende inzichtelijk gemaakt waarom in het geval van particuliere verhuur het belang van zichtbaar optreden tegen drugshandel (de signaalfunctie) zwaarder weegt dan bij verhuur door woningbouwcorporaties.

De Afdeling oordeelde verder dat als in een specifieke situatie blijkt dat een particuliere verhuurder op zoveel punten vergelijkbaar is met een woningbouwcorporatie dat sprake is van bijzondere omstandigheden, in dat specifieke geval er aanleiding kan zijn om ook af te zien van woningsluiting. Die vergelijking ziet de Afdeling in de betreffende casus niet.

Vragen over sluitingsbevoegdheid

Heeft u vragen of wilt u advies over het sluiten van een woning of de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester? Neem dan contact op met één van de specialisten van SWDV Advocaten.

Wet Markt en Overheid

Op grond van de Wet Markt en Overheid dient een overheid bij het verrichten van een economische activiteit de integrale kosten in rekening te brengen bij de contractspartij.

Autoriteit Consument en Markt constateert overtreding

Op 16 augustus 2019 heeft de Autoriteit Consument en Markt vastgesteld dat de gemeente Heumen de Wet Markt en Overheid heeft overtreden door niet de integrale kosten in rekening te brengen aan een exploitant van een sportaccommodatie. De gemeente Heumen heeft een te lage, niet kostendekkende, huur in rekening gebracht en daarnaast heeft de gemeente aan de exploitant een bedrag betaald dat ervoor moet zorgen dat plaatselijke scholen en sportclubs gebruik kunnen maken van het sportcomplex.

Ongelijk speelveld

Zo’n exploitatiebijdrage is op zich niet verboden maar gemeenten mogen een exploitatiebijdrage niet gebruiken om de huurkosten voor de exploitant te verlagen. Nu de gemeente Heumen dit wel heeft gedaan, heeft zij niet alle kosten doorberekend aan de huurder en is er een ongelijk speelveld tussen exploitanten van sportcomplexen ontstaan.

Algemeen belangbesluit

De gemeente heeft na de vaststelling van het besluit van de ACM een algemeen belangbesluit genomen waardoor de Wet Markt en Overheid niet langer van toepassing is. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente tot het moment van het nemen van dat besluit in overtreding is geweest, aldus de ACM.

Voor de uitspraak van de ACM zie: https://www.acm.nl/sites/default/files/documents/2019-09/besluit-sportcentra-heumen.pdf