Executie pandrecht aandelen BV

EXECUTIE PANDRECHT AANDELEN BV

Het Hof oordeelt over het volgen van de blokkeringsregeling en de noodzaak daarbij van toestemming van de voorzieningenrechter bij de verkoop van verpande aandelen. (Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 april 2017 ECLI:NL:GHSHE:2017:1592).

Onderhandse verkoop verpande aandelen

De bank heeft een eerste pandrecht op 50% van de aandelen in een BV. Een andere aandeelhouder houdt de overige 50%. Een derde partij heeft een tweede pandrecht op de aandelen gevestigd. Dit is gebeurd nadat de bank het eerste pandrecht vestigde. De bank was niet op de hoogte van het tweede pandrecht als zij de aan haar verpande aandelen onderhands wil verkopen. Conform de blokkeringsregeling worden de aandelen eerst aangeboden aan de andere aandeelhouder. Die wil de aandelen kopen voor € 10.000. De pandgever maakt bezwaar omdat er een partij is die € 20.000 wil betalen.

De vraag is of de bank (als eerste pandhouder) bevoegd is tot onderhandse verkoop door enkel de blokkeringsregeling na te leven, of dat ook de goedkeuring van de voorzieningenrechter noodzakelijk is.

Statutaire blokkeringsregeling bij onderhandse verkoop

Uitgangspunten zijn (1) dat de bank als pandhouder ex artikel 2:198 lid 6 BW gehouden is tot naleving van de blokkeringsregeling bij verkoop van de aandelen en (2) dat de onderhandse verkoop van de aandelen door de pandhouder een afwijkende wijze van verkoop is in de zin van artikel 3:248 BW.

Het Hof oordeelt dat pandhouder toch goedkeuring moet verzoeken voor onderhandse verkoop.

Bij de executie van verpande aandelen door de pandhouder zijn de regels die zien op de blokkeringsregeling (als die is opgenomen in de statuten) en de afwijkende wijze van verkoop met toestemming van de voorzieningenrechter) complementair. Er geldt volgens het hof dus een dubbele eis. De pandhouder moet de aandelen eerst aanbieden volgens de blokkeringsregeling, maar heeft ook toestemming van de rechter nodig voor onderhandse verkoop.

In een noot bij het arrest in de JOR (JOR 2017, 185 mr. T. Hutten en mr. B.A. Schuijling) wordt gewezen op eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat alleen het volgen van de blokkeringsregeling voldoende was. Het betreft Gerechtshof Amsterdam (OK) 10 maart 2003 (Korel) JOR 2003/108 en de Rechtbank Amsterdam 2 februari 2006 (Wesa/Orsel) JOR 2006/93.

Als de in het ongelijk gestelde partij in cassatie gaat, dan is het aan de Hoge Raad om te bepalen wie er gelijk heeft.

Heeft u vragen over pandrechten en uw positie als aandeelhouder in een BV? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht