Geen doorbetaling loon na ontslag op staande voet

Arrest Hoge Raad 13 juli 2018

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209 geoordeeld dat, als de werkgever een werknemer op staande voet heeft ontslagen en dit ontslag eerst door de kantonrechter is vernietigd maar daarna in hoger beroep door het hof rechtsgeldig wordt bevonden, de werknemer (in beginsel) geen recht heeft op loon over de periode vanaf het ontslag op staande voet tot de door het hof bepaalde einddatum.

Vernietiging ontslag op staande voet

De werknemer die op staande voet is ontslagen, kan de kantonrechter verzoeken het ontslag te vernietigen. Als de kantonrechter het ontslag niet terecht vindt, vernietigt hij het ontslag zodat de werkgever de werknemer moet toelaten tot het werk en hem het loon moet doorbetalen, tenminste als de werknemer zich bereid verklaart zijn werkzaamheden te hervatten. De werkgever kan tegen de uitspraak van de kantonrechter hoger beroep instellen. Als het hof het ontslag wel terecht vindt, moet het zelf bepalen wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt en mag dit einde niet vóór de datum van zijn uitspraak zijn gelegen. Dit betekent dat, als het hof, anders dan de kantonrechter, vindt dat de werkgever de werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen, de arbeidsovereenkomst na de ontslagdatum toch voortduurt, namelijk tot de door het hof gekozen datum, die is gelegen op of ná zijn beslissing. Dit betekent dat de werkgever in beginsel loon is verschuldigd over deze periode, ondanks dat het hof van oordeel is dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

Geen arbeid, geen loon

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, als de werkgever de werknemer niet heeft toegelaten tot het werk, de werknemer over de periode tussen het ontslag op staande voet en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof geen recht heeft op loon omdat hij uiteindelijk in het ongelijk is gesteld en de oorzaak van het niet verrichten van werk in redelijkheid niet voor rekening van de werkgever behoort te komen.

Volgens de Hoge Raad kunnen er echter omstandigheden zijn waaronder de oorzaak van het niet verrichten van werk in de periode tussen de uitspraak van de kantonrechter en de door het hof bepaalde einddatum geheel of gedeeltelijk (wel) voor risico van de werkgever komt, zodat de werknemer wel geheel of gedeeltelijk recht heeft op loon. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de ontslaggrond en de reden waarom de werkgever in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld. De werknemer kan in de periode tussen het ontslag op staande voet en de door het hof bepaalde einddatum geheel of gedeeltelijk recht hebben op loon als hem van zijn gedrag geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt.

Het ligt op de weg van de werkgever om in hoger beroep de toepassing in te roepen van art. 7:627 BW (‘geen arbeid, geen loon’) waarna op de werknemer de stelplicht rust met betrekking tot omstandigheden die meebrengen dat de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid – ondanks het rechtsgeldig gebleken ontslag op staande voet – in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen (art. 7:628 lid 1 BW).

Matiging of ontzegging loon

In de periode tussen de uitspraak van de kantonrechter en de door het hof bepaalde einddatum kan de werkgever zich ook erop beroepen dat het in beginsel verschuldigde loon dient te worden gematigd (art. 7:680a BW) dan wel dat aan de werknemer diens aanspraak op loonbetaling geheel of gedeeltelijk dient te worden ontzegd (art. 6:248 lid 2 BW).

Heeft u een vraag over dit artikel?

Jeroen Dikker
Advocaat
Expertises: Arbeidsrecht, Ambtenarenrecht, Onderwijsrecht, Privacyrecht