Is het verpandingsverbod voorbij?

In de algemene voorwaarden van veel ondernemingen is in de afgelopen jaren de volgende “standaard”-bepaling opgenomen:

“Overdracht door een Partij van haar rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de Overeenkomst is slechts toegestaan na verkrijging van schriftelijke toestemming van de andere Partij.”

Aangenomen werd dat deze bepaling aan de verpanding van vorderingen in de weg stond. Vermoedelijk hebben de meeste ondernemers geen idee gehad waarom zo’n bepaling in hun algemene voorwaarden is opgenomen. Mogelijk zeiden hun adviseurs dat dit raadzaam was of is dit gebeurd omdat anderen het ook deden. De oorspronkelijke reden zal zijn geweest dat men niet met een andere partij geconfronteerd wilde worden bij de uitvoering van een overeenkomst. De bedoeling zal waarschijnlijk niet geweest zijn om met deze bepaling de verpanding van vorderingen uit te sluiten.

Verpanding van vorderingen op derden

Ondernemingen worden in de regel gefinancierd door de bank. Vast onderdeel van de financiering is dat het gehele actief van de onderneming in pand moet worden gegeven. Daaronder valt dan ook de verpanding van vorderingen op derden. Indien een bepaling is opgenomen dat geen rechten uit de overeenkomst mogen worden overgedragen en dit tot de onmogelijkheid van verpanding leidt, dan brengt dat de zekerheid van de bank en daarmee de kredietverlening in gevaar.

Waarom geen pandrecht?

In geval van faillissement van een onderneming gaat de bank over tot uitwinning van haar zekerheden. Indien nu in een overeenkomst waarop de vordering betrekking had, staat dat geen rechten en verplichtingen uit de overeenkomst aan derden mogen worden overgedragen, stelden de curatoren voorheen dat er geen pandrecht tot stand was gekomen. De motivering was als volgt:

Op grond van artikel 3:239 BW kan op een vordering een stil pandrecht worden gevestigd met een authentieke of onderhandse geregistreerde pandakte, mits de vordering op het moment van verpanden reeds bestond of rechtstreeks wordt verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.

Artikel 3:83 lid 2 BW bepaalt dat de overdraagbaarheid van vorderingsrechten door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar kan worden uitgesloten. Artikel 3:228 BW stelt dat een pandrecht alleen gevestigd kan worden op voor overdracht vatbare goederen. De gedachte achter deze bepaling is dat bij executie de verpande goederen overdraagbaar moeten zijn. De uitoefening van een pandrecht op een vordering geschiedt door inning en de vraag is dan ook opgeworpen of dit artikel wel van toepassing is op verpanding van vorderingen.

Op grond van deze bepalingen werd er een goederenrechtelijk gevolg gegeven aan een beding in de algemene voorwaarden waarmee de overdracht van rechten en verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien, werd uitgesloten. De vordering was daardoor niet voor (stille) verpanding vatbaar. De verpanding kon wegens de niet-overdraagbaarheid niet tot stand komen ondanks dat er een geldige pandakte tussen ondernemer en financier is. Ook een beroep op 3:36 BW door de derde die niet van het beding wist, bracht geen redding.

Deze theorie leek gesteund te worden door de Hoge Raad met haar arrest van 17 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0168,  NJ 2004/281). Op deze uitleg is veel kritiek geweest. Lagere rechters zijn meermalen van dit standpunt afgeweken en hebben aan het beding geen goederenrechtelijke gevolgen verbonden.

Hoge Raad geeft (meer) duidelijkheid over pandrecht

In het arrest Intergamma/Coface d.d. 21 maart 2014(ECLI:NL:HR:2014:682) lijkt de Hoge Raad duidelijkheid gegeven te hebben. Ten aanzien het de bestaande rechtspraak zegt de Hoge Raad het volgende:

“3.3.1
Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn door het hof aangehaalde arrest van 17 januari 2003 heeft geoordeeld (kort gezegd) dat een verpandingsverbod zoals in die zaak aan de orde, ingevolge art. 3:83 lid 2 BW niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering, maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf. Een handeling in strijd met zo’n beding levert niet slechts wanprestatie van de schuldeiser tegenover zijn schuldenaar op, maar kan bovendien niet leiden tot een geldige overdracht of verpanding van die vordering. Noch het feit dat de cessionaris dan wel de pandnemer niet op de hoogte was van dat verbod, noch het bepaalde in art. 3:36 BW, doet eraan af dat het verbod in de weg staat aan een rechtsgeldige overdracht respectievelijk verpanding.

Dit oordeel, dat strookt met de tekst van art. 3:83 lid 2 BW en de daarop gegeven toelichting (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 314), komt erop neer dat partijen goederenrechtelijke werking kunnen geven aan een contractueel overdraagbaarheids- of verpandingsverbod.”

Het lijkt er dus op dat de Hoge Raad haar standpunt handhaaft. In de volgende overweging geeft de Hoge Raad echter een nuancering van haar standpunt die gevolgen heeft voor de praktijk:

“3.4.2
Een beding als het onderhavige, dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf (zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd. Het hof heeft dit miskend.”

De Hoge Raad zegt drie dingen:
1.    Een beding in de algemene voorwaarden dat overdraagbaarheid van vorderingen uitsluit, heeft verbintenisrechtelijke werking tenzij…;
2.    Er is alleen goederenrechtelijke werking, indien uit de formulering van het beding naar objectieve maatstaf blijkt dat goederenrechtelijke werking is bedoeld;
3.    Bij de uitleg van het beding moet de Haviltexmaatstaf in acht worden genomen.

Verbintenisrechtelijke werking

De conclusie is dat bepalingen van algemene strekking inzake de overdraagbaarheid van rechten uit een overeenkomst, verbintenisrechtelijke werking hebben. Een dergelijke bepaling zal de verpanding van vorderingen niet in de weg staan. Het uitsluiten van verpanding van vorderingen is echter nog steeds mogelijk, maar dan moet dit wel expliciet blijken uit de tussen partijen overeengekomen bedingen c.q. de algemene voorwaarden. Een algemene formulering dat niet toegestaan is rechten en verplichtingen uit de overeenkomst over te dragen, geeft onvoldoende inzicht in de bedoeling van partijen. Bij de uitleg van het beding moet niet alleen gekeken worden naar de taalkundige betekenis van de tekst maar ook naar de betekenis die partijen aan de tekst geven en hetgeen zij over en weer van elkaar mogen verwachten.

Algemene voorwaarden aanpassen of niet?

Een algemene tekst zal dus niet leiden tot goederenrechtelijke gevolgen c.q. de onmogelijkheid van verpanding. Indien een ondernemer geen verpanding van zijn vorderingen wenst, zal dat expliciet moeten worden gesteld in het beding.

De uitspraak van de Hoge Raad is aanleiding om uw algemene voorwaarden te laten toetsen door uw advocaat. U kunt hierover contact opnemen met Dick Winters of een van onze andere advocaten uit de unit Ondernemen.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Dick Winters
Expertises: Insolventierecht, Vastgoedrecht, Ondernemingsrecht