Nuancering onterecht beroep opschorting

Het opschortingsrecht is in de wet geregeld in de artikelen 6:52  – 6:57 Burgerlijk Wetboek (BW). Een beroep op opschorting lijkt simpel; zolang de wederpartij niet nakomt schort u eenvoudigweg uw eigen verplichting op.

In de praktijk gebeurt het echter meer dan eens dat het opschortingsrecht ten onrechte wordt ingeroepen. Bijvoorbeeld omdat er geen opeisbare vordering is, er onvoldoende samenhang is tussen de opeisbare vordering en de op te schorten verplichting, de opschorting niet proportioneel is of omdat opschorting in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Verder wordt ook vaak vergeten om in de algemene voorwaarden te kijken of daarin een bepaling is opgenomen (wat meestal het geval is) waarin een beroep op opschorting is uitgesloten.

De gevolgen van het ten onrechte inroepen van het opschortingsrecht kunnen vergaand zijn. Zo geldt dat wanneer er ten onrechte een beroep op een opschortingsrecht wordt gedaan, het risico bestaat aansprakelijk gehouden te worden voor de door de wederpartij geleden schade als gevolg van de onterechte opschorting.

HR 21 september 2007 Ammerlaan/Enthoven

In Ammerlaan/Enthoven had de schuldenaar opgeschort vanwege vermeende ondeugdelijkheid in de prestatie van de schuldeiser. De Hoge Raad verwierp in deze zaak het verweer dat er ondeugdelijk was gepresteerd, waarna de Hoge Raad ook meteen korte metten maakte met het verweer dat mocht worden opgeschort.

De Hoge Raad overwoog dat wanneer een beroep op  een opschortingsrecht achteraf geheel of gedeeltelijk ongegrond bleek, dit tot gevolg had dat de schuldenaar meteen zonder ingebrekestelling gedurende de periode van opschorting in verzuim kwam te verkeren. Verder overwoog de Hoge Raad dat de schuldenaar onmiddellijk de wettelijke rente verschuldigd werd over de door hem nog verschuldigde som. De achtergrond van deze  overwegingen van de Hoge Raad  laten zich verklaren vanuit de gedachte dat schuldenaar niet mag worden beloond voor het ten onrechte betwisten dat de schuldeiser deugdelijk heeft gepresteerd.

In het meest recente arrest over dit onderwerp nuanceert de Hoge Raad de hiervoor besproken overweging.

HR 4 november 2016 CIA / Heredium

CIA kocht alle aandelen in Heredium. Heredium was eigenaar van een gebouw. Door de aandelenoverdracht zou dat gebouw juridisch niet van eigenaar wisselen. Partijen gingen er daardoor vanuit dat er geen overdrachtsbelasting verschuldigd was. CIA en Heredium kwamen overeen dat als  er toch overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn, Heredium die belasting zou betalen. Na levering van de aandelen kondigde de fiscus  een naheffingsaanslag aan. Op grond van deze aanslag schortte CIA zijn verplichting op om de koopsom (die in delen werd betaald) te betalen. CIA maakte tegelijkertijd bezwaar tegen de naheffingsaanslag waarna de aanslag door de belastingrechter werd vernietigd.

Nu bleek dat er geen sprake meer was van een fiscale claim, was het de vraag of , CIA wel haar verplichtingen jegens Heredium had mogen opschorten.

De Hoge Raad overwoog onder meer dat de vernietiging van de naheffingsaanslag betekent dat deze wordt geacht nooit te hebben bestaan. Dit betekent niet automatisch dat CIA gedurende de opschortingsperiode in verzuim was. Dat laatste vergt immers dat CIA toerekenbaar tekort is geschoten. Of CIA toerekenbaar tekort is geschoten kan pas worden beantwoord met inachtneming van de omstandigheden van dat moment, waaronder de toen nog niet vernietigde naheffingsaanslag.

Ook de vraag voor wiens risico het optreden van de Ontvanger komt, de deugdelijkheid van diens onderbouwing en eventuele bijzondere contractuele bepalingen zijn van belang bij de beantwoording van de vraag of CIA tekort is geschoten.

Net als het Hof komt de Hoge Raad tot het oordeel dat CIA haar betalingsverplichting mocht opschorten zolang de naheffingsaanslag nog niet was vernietigd.

Nuancering gevolgen onterecht ingeroepen opschorting

In het arrest CIA/Heredium nuanceert de Hoge Raad dus de regel uit het arrest Ammerlaan/Enthoven. Een achteraf geheel of gedeeltelijk ongegrond gebleken beroep op een opschortingsrecht betekent niet zonder meer dat de schuldenaar daarna direct zonder ingebrekestelling in verzuim is. Een uitzondering wordt gemaakt voor het geval dat degene die zich op een opschortingsrecht heeft beroepen dit heeft gedaan vanwege een door een derde (in dit geval de fiscus) ingeroepen vordering die achteraf ongegrond bleek.

– met dank aan mr. J.J. Dijkman –

Heeft u een vraag over dit artikel?

Chris Hartsuiker
Advocaat/bestuurder
Expertises: Insolventie, Ondernemingsrecht