ONTSLAG BESTUURDER DOOR AVA IN STRIJD MET REDELIJKHEID EN BILLIJKHEID

Dit artikel gaat over een uitspraak van de kortgedingrechter over het (voorgenomen) ontslag van de bestuurder van een BV door de aandeelhouders. De bestuurder is tevens een van de drie oprichters en aandeelhouders van de BV. De andere aandeelhouders hebben gelet op de verhouding binnen de Algemene Vergadering (hierna AvA) de vereiste statutaire meerderheid om de bestuurder te ontslaan. De rechter acht dit ontslag in strijd met artikel 2:8 BW (VZ Rechtbank Amsterdam 23 november 2020 ECLI:NL:RBAMS:2020:5911).

Feiten

Na de oprichting van de BV is er geen overeenstemming over een aandeelhoudersovereenkomst bereikt. In dit kader is van belang dat er in de concept aandeelhoudersovereenkomst een exit-regeling voor een bestuurder/aandeelhouder was opgenomen in het geval van een ontslag door de AvA. In de concept aandeelhoudersovereenkomst was tevens sprake van een unanimiteitsvereiste voor een ontslag van een bestuurder door de aandeelhouders.

De partijen hebben nooit overeenstemming bereikt over de inhoud van de concept aandeelhoudersovereenkomst en volgens de rechter is de aandeelhoudersovereenkomst dus niet tot stand gekomen. De vraag naar de rechtsgeldigheid van een unanimiteitsvereiste zoals dat zou volgen uit de aandeelhoudersovereenkomst is niet aan de orde en er wordt alleen uitgegaan van de statutaire bepalingen. Volgens deze statuten kan de AvA de bestuurder met een gewone meerderheid van stemmen ontslaan.

Aan de wens om de bestuurder te ontslaan ligt kritiek op zijn functioneren ten grondslag. Er zou niet met hem samen te werken zijn, hij zou geen beslissingen nemen, verzanden in details en hij zou geen zelfreflectie tonen.

Van een arbeidsverhouding tussen de bestuurder (een holding) en de BV was geen sprake, maar toch oordeelt de rechter dat de bestuurder de kans had moeten krijgen zijn functioneren te verbeteren. Verder neemt de rechter in aanmerking dat er geen afspraken gemaakt zijn ten aanzien van de financiële gevolgen van het vertrek van de bestuurder en dat hij ook niet gehoord is over het voorgenomen ontslag. De rechter acht het voorgenomen ontslag in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar op grond van artikel 2:8 BW.  

Geen ontslag ondanks meerderheid ava?

De rechter lijkt voorbij te gaan aan het uitgangspunt van artikel 2:244 BW dat bepaalt dat de AvA een bestuurder te allen tijde kan schorsen of ontslaan met de vereiste meerderheid van stemmen.

Artikel 2:244 BW bepaalt dat er geen grotere meerderheid dan 2/3 van de stemmen vereist mag zijn. Volgens de statuten was een gewone meerderheid voldoende, maar in het onderhavige geval zouden de twee aandeelhouders ook bij een gekwalificeerde meerderheid van 2/3 van de stemmen gezamenlijk altijd moeten kunnen besluit tot het ontslag van de bestuurder.

Het is de vraag of het “verbetertraject” en het ontbreken van afspraken over de financiële gevolgen opwegen tegen de bevoegdheid die artikel 2:244 BW geeft en of dit niet in strijd is met dat uitgangspunt. Een belangrijke overweging van de rechter is dat de bestuurder niet gehoord is ten aanzien van het voorgenomen ontslag en dit geldt in beginsel reeds als een schending van artikel 2:8 BW.

Wordt u geconfronteerd met onenigheid tussen aandeelhouders en bestuurders binnen ‘uw’ B.V. of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht