Precario op kabels en leidingen: belangen van nutsbedrijven voldoende meewegen

Publicatiedatum 12 augustus 2014

In gemeentegronden liggen veel ondergrondse kabels en leidingen van nutsbedrijven. Steeds meer gemeenten heffen per strekkende meter belasting – precario – op deze kabels en leidingen. Een wetsvoorstel dat nutsbedrijven moet ‘vrijstellen’ van precarioheffing is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al in 2011 aan de Tweede Kamer toegezegd.1 Anno 2014 is dit wetsvoorstel nog niet ingediend. Het aantal gemeenten dat precario heft op kabels en leidingen neemt ondertussen toe, tot ongenoegen van de nutsbedrijven. Zo stelde netwerkbeheerder Alliander onlangs in een artikel dat precarioheffing door gemeente oneerlijk is voor consumenten.2

Duurovereenkomsten sluiten precarioheffing vrijwel altijd uit

Vroeger was energielevering een overheidstaak. Later hebben de gemeenten de levering van gas en elektriciteit overgedragen aan daarvoor opgerichte nutsbedrijven. Vrijwel zonder uitzondering hebben gemeenten en nutsbedrijven daarbij duurovereenkomsten gesloten: private afspraken over kabels en leidingen in gemeentegronden, die meestal voor onbepaalde tijd geldig zijn. Precario is in die duurovereenkomsten vrijwel altijd uitgesloten.

Opzegging van duurovereenkomsten

Tegenwoordig zijn nutsbedrijven commerciële spelers. De wens van gemeenten tot het heffen van precario is daarom niet onbegrijpelijk, maar de duurovereenkomsten staan hieraan vaak in de weg. Opzegging of wijziging van die overeenkomsten ten gunste van een precarioheffing is dan nodig. In het ‘Ronde Venen-arrest’ overweegt de Hoge Raad als volgt.

’Indien de wet en de overeenkomst niet voorzien in opzegcriteria, dan geldt als uitgangspunt dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn. De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat voor het opzeggen van een duurovereenkomst een zwaarwegende grond moet bestaan. Voorts kunnen de redelijkheid en billijkheid, afgaande op de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, met zich brengen dat een opzegtermijn in acht genomen moet worden of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot schadevergoeding’.3

In het ‘Ronde Venen arrest’ is door de Hoge Raad geoordeeld dat het geoorloofd is een duurovereenkomst met een nutsbedrijf op te zeggen ten behoeve van een publiekrechtelijke regeling (verordening) waarin de spelregels en kosten voor het verplaatsen van kabels en leidingen ten nadeel van het nutsbedrijf worden gewijzigd. Er was naar de mening van de Hoge Raad geen zwaarwegende grond nodig om te mogen opzeggen. De Hoge Raad nam hierbij onder meer in aanmerking dat de bedrijfsvoering van het nutsbedrijf niet afhankelijk was van het voortbestaan van de duurovereenkomst met de gemeente. Bovendien constateerde de Hoge Raad dat sinds de liberalisering van de energiemarkt nutsbedrijven commerciële spelers zijn geworden.

Opzeggen duurovereenkomsten ten behoeve van precarioheffing

In ‘Ronde Venen’ werd door de gemeente in de verordening echter géén precario geheven, maar ging het om de regels en de kosten van verplaatsing. De gevolgen van precarioheffing voor de bedrijfsvoering van nutsbedrijven zijn groter en structureler dan die van een regeling voor de verplaatsingskosten. Dit sluit het invoeren van precarioheffing in een verordening niet uit: in de lagere rechtspraak is inmiddels de eerste jurisprudentie gevormd waarin precario op kabels en leidingen stand houdt.4 Naarmate de nieuwe publiekrechtelijke regeling nadeliger voor het nutsbedrijf is, zal de gemeente daar meer rekening mee moeten houden. Hierbij spelen ook andere factoren een rol, bijvoorbeeld de mate waarin een nutsbedrijf nog investeringen heeft gedaan voorafgaand aan de nieuwe regeling.

Heeft u vragen over precario op kabels en leidingen of het opzeggen van duurovereenkomsten? Ons team helpt u graag.


1 Zie Kamerstukken 2010-2011, 32 500-VII, nr. 109
2 Zie hierover een artikel op www.gemeente.nu d.d. 28 juli 2014: ‘Precariobelasting ondergrondse kabels oneerlijk’
3 Zie Hoge Raad d.d. 28 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.3
4 Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Holland d.d. 22 juli 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:12515

Heeft u een vraag over dit artikel?