Uitkeringen aan aandeelhouders

De Hoge Raad oordeelt dat een besluit ex artikel 2:216 BW een onverplichte rechtshandeling om niet is (Hoge Raad 23 september 2016 ECLI:NL:HR:2016:2172).

Uitkering vrije reserves

Voor de overname van haar aandelen keerde een B.V. haar vrije reserves uit aan de verkopende aandeelhouder (tevens de bestuurder). Vier maanden later gaat de B.V. failliet. De curator spreekt de bestuurder / aandeelhouder aan ingevolge onbehoorlijk bestuur, onrechtmatige daad, een beroep op artikel 2:216 lid 2 (oud) BW en faillissementspauliana. De rechtbank wijst de vordering ingevolge onbehoorlijk bestuur toe. In hoger beroep wordt dit vonnis gecorrigeerd. Het uitkeringsbesluit ex artikel 2:216 BW wordt daarbij wel aangemerkt als een onverplichte rechtshandeling om niet. Van een pauliana is echter geen sprake volgens het hof omdat er geen (wetenschap van) benadeling zou zijn.

De Hoge Raad vernietigt het arrest met verwijzing naar een ander gerechtshof. Dat hof moet de uitkering van de reserves opnieuw beoordelen. De Hoge Raad wijst erop dat de wetenschap van benadeling aanwezig wordt geacht nu er sprake is van een rechtshandeling om niet, die binnen een jaar voor het faillissement heeft plaatsgevonden, terwijl de uitkering gedaan wordt aan een gelieerde partij. Dit volgt uit de artikelen 43 lid 1 aanhef en onder 5 onderdelen a en d FW en artikel 45 FW. Het is aan degene die de uitkering heeft ontvangen om te bewijzen dat er toch geen wetenschap van benadeling aanwezig was. Wordt vervolgd dus.

Uitleg 2:216 BW en pauliana

Artikel 2:216 BW ziet op alle uitkeringen aan aandeelhouders. Ingevolge artikel 2:216 (oud) BW was er alleen een besluit van de aandeelhoudersvergadering nodig voor een uitkering aan de aandeelhouders. Het in 2012 gewijzigde artikel 2:216 lid 2 (nieuw) BW bepaalt dat er ook goedkeuring van het bestuur nodig is. Het is de vraag of dit arrest ertoe leidt dat het bestuursbesluit ook een onverplichte rechtshandeling om niet is. Artikel 2:216 lid 2 BW bepaalt dat het bestuur de goedkeuring slechts weigert als het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap haar crediteuren niet meer zal kunnen betalen. In deze bepaling kan ook een verplichting voor het bestuur gelezen worden om goed te keuren.

Heeft u vragen over uitkeringen aan aandeelhouders en mogelijke gevolgen daarvan? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht