Verpanding van veilingtegoeden rechtsgeldig?

Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 juni 2014 (JOR 2014/221) geoordeeld dat het pandrecht van de Rabobank op de vorderingen op Flora Holland (een coöperatie) tot aflossing ledenlening en uitbetaling participatiereserve van een gefailleerd lid rechtsgeldig is gevestigd.

Bank claimt pandrecht op ledenlening en participatiereserve

SubRosa B.V. teelt sierbomen en sierstruiken en is lid van de coöperatie Flora Holland. Deze leden verhandelen producten via Flora Holland. Bloemen, planten etc. van de leden worden door Flora Holland geveild bij afslag. Als lid van de coöperatie verkrijgt SubRosa vermogen in Flora Holland, een Participatiereserve (jaarlijks vast te stellen winstbedrag op aparte rekening). Ook bouwt zij als lid een Ledenlening op (jaarlijks vast te stellen aandeel in de verkopen van Flora Holland). De financiering van SubRosa loopt bij de Rabobank. SubRosa heeft haar vorderingen (waaronder die op Flora Holland) aan Rabobank verpand. SubRosa gaat op 1 april 2008 failliet. Rabobank claimt pandrecht op de ledenlening en de participatiereserve. De curator betwist het pandrecht.

Vordering curator

Artikel 35 lid 2 Faillissementswet bepaalt dat Rabobank het pandrecht niet kan inroepen als het is gevestigd op goederen (in dit geval vorderingen) die SubRosa pas in de toekomst (na haar faillissement) verkrijgt. De curator vordert een verklaring voor recht dat de tegoeden bij Flora Holland niet rechtsgeldig verpand zijn aan Rabobank en dat Rabobank moet meewerken aan uitbetaling door Flora Holland aan de boedel. De Rabobank betwist de vorderingen. Zijn de ledenlening en participatiereserve toekomstige vorderingen, ontstaan na datum faillissement?

Vonnis rechtbank: Geen pandrecht voor Rabobank

De rechtbank Den Haag oordeelt bij vonnis van 16 mei 2012 dat de grondslag van de aanspraken van SubRosa op aflossing van ledenlening en uitbetaling saldo participatiereserve een rechtsverhouding is die bestond op datum faillissement. Dit volgt uit de statuten van Flora Holland. Dit is nog onvoldoende voor de conclusie dat er sprake is van een bestaande – en dus niet toekomstige – vordering (bijvoorbeeld onder opschortende voorwaarde). Dat hangt af van de in de statuten geregelde wijze van aflossing (ledenlening) en betaalbaarstelling (participatiereserve). De verbintenis tot betaalbaarstelling ontstaat (samengevat) na beëindiging van het lidmaatschap (in casu door faillissement SubRosa), een besluit van het bestuur of de algemene ledenvergadering van Flora Holland. Volgens de rechtbank betreft het toekomstige vorderingen omdat per datum faillissement geen van de hiervoor genoemde besluiten tot aflossing of betaalbaarstelling zijn genomen. Geen pandrecht voor Rabobank dus. Rabobank gaat in hoger beroep.

Hof oordeelt: bestaande vorderingen, onder opschortende voorwaarden/tijdsbepalingen

Het Hof oordeelt dat de aanspraken van SubRosa op de ledenlening en participatiereserve te kwalificeren zijn als ten tijde van de faillietverklaring bestaande vorderingen, onder opschortende voorwaarden of tijdsbepalingen. Dat een vordering wegens een opschortende voorwaarde of tijdbepaling nog niet opeisbaar is, impliceert niet dat het om een toekomstige vordering gaat. Dergelijke vorderingen kunnen worden overgedragen en verpand. Door artikel 35 lid 2 Faillissementswet wordt de werking van de verpanding van dergelijke vorderingen vanwege de omstandigheid dat zij ten tijde van de faillietverklaring nog niet opeisbaar zijn niet beperkt. De vordering van de curator wordt alsnog afgewezen.

Heeft u een vraag over verpanding, toekomstige vorderingen, banken of faillissementen, bel of mail Sebastiaan van Leeuwen.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht