Bestuurder niet aansprakelijk door weerlegging bewijsvermoeden met interne oorzaak

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in een geschil tussen een curator en bestuurders over de oorzaak van het faillissement en aansprakelijkheid van het bestuur daarvoor (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2020 JOR 2021/56 ECLI:NL:GHARL:2020:9983).

Jaarrekening te laat gedeponeerd

De BV in kwestie is actief geweest op het terrein van het zogenaamde “breinleren” en een gedachtegoed dat ontwikkeld was door een zekere “D”. Tussen D en de BV was een licentieovereenkomst gesloten voor de exploitatie van dit gedachtegoed door de BV. Niet direct duidelijk is op welke wijze het bestuur met het gedachtegoed omzet verwachtte te genereren. Uit het vonnis volgt alleen dat er in 2015 een subsidie is verleend aan de BV.

D beëindigt eind 2016 de licentieovereenkomst. Uiteindelijk wordt de BV op 6 juni 2017 op eigen aangifte failliet verklaard. De curator constateert in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek dat de jaarrekening 2015 te laat gedeponeerd is.

Weerlegging bewijsvermoeden artikel 2:248 lid 2 BW

Het schenden van de deponeringsplicht leidt onweerlegbaar tot onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van de BV. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn geweest. Een bestuurder kan dit vermoeden weerleggen door aan te tonen dat er sprake is van een andere belangrijke oorzaak van het faillissement.

Het bestuur voert zonder succes aan dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim. Verder voert het bestuur aan dat het vertrek van twee belangrijke bestuurders en het beëindigen van de licentieovereenkomst door D hebben geleid tot het faillissement.

De rechtbank volgt dit verweer en wijst de vordering tot betaling van het boedeltekort van de curator af.

De curator gaat in hoger beroep en voert aan dat er enkel van buiten komende oorzaken van het faillissement kunnen worden aangevoerd om het bewijsvermoeden met succes te ontzenuwen. In dit geval zijn er volgens de curator enkel interne oorzaken aangevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar het Blue Tomato arrest (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773). In dat standaardarrest had het bestuur aangevoerd dat het faillissement was veroorzaakt door een brand in het bedrijfsgebouw (de fabriek) en de weigering van de verzekeraar om uit te keren, wegens het ontbreken van een volgens de polisvoorwaarden voorgeschreven inbraakalarm.

Volgens het Hof geeft het aangehaalde Blue Tomato arrest slechts een regel voor het geval er een van buitenaf komende oorzaak van het faillissement wordt aangevoerd. Uit het arrest volgt volgens het Hof niet dat er alleen van buiten komende oorzaken kunnen worden aangevoerd. Het aanwijzen van interne oorzaken voor het faillissement is dus niet uitgesloten door de Hoge Raad. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Wordt u geconfronteerd met bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u daar vragen over? Vraag het aan Sebastiaan van Leeuwen

Heeft u een vraag over dit artikel?

Sebastiaan van Leeuwen
Advocaat
Expertises: Ondernemingsrecht, Insolventierecht