Na faillissement als boedelschuldeiser doorwerken

Heeft een tandarts na faillissement als boedelschuldeiser doorgewerkt?

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze vraag bevestigend beantwoord in haar uitspraak van 7 augustus 2018. Ondanks dat de curator de overeenkomst niet wilde nakomen, leidde het Hof uit de omstandigheden af dat de verklaringen en gedragingen van de curator enkel opgevat konden worden als een wens tot nakoming. Hierna volgt een bespreking van het geschil.

Samenwerkingsovereenkomst

Op 18 juni 2013 is het faillissement van een tandheelkundig centrum uitgesproken. Per 1 augustus 2013 is de praktijk overgedragen aan een derde. In de tussentijd is door de tandarts doorgewerkt met toestemming van de curator. Vervolgens ontstaat een geschil tussen de curator en de tandarts over de financiële afwikkeling. Kern van het probleem is de vraag op welke basis het werk is gecontinueerd. De tandarts beroept zich op een nieuwe overeenkomst, met aangepaste verbeterde voorwaarden. Volgens de curator ontbrak de vereiste machtiging van de rechter-commissaris en is de samenwerkingsovereenkomst beëindigd.

Uit de verklaringen en gedragingen van partijen blijkt dat zij het over essentiële punten over het aangaan van een nieuwe overeenkomst oneens waren. Niettemin is de tandarts na het faillissement blijven werken.

Overwegingen Gerechtshof

In het belang van de rechtszekerheid kan aan de curator een termijn gesteld worden waarbinnen de curator zich bereid moet verklaren tot nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst. Dit is niet gebeurd. Aangezien de curator de tandarts uitdrukkelijk heeft gevraagd door te werken in het belang van de boedel, is het Hof van oordeel dat de curator de overeenkomst stilzwijgend heeft voortgezet. Het Hof verwerpt dan ook het verweer van de curator.

Daarnaast oordeelt het Hof dat het ontbreken van de machtiging van de rechter-commissaris geen invloed heeft op de geldigheid van het handelen van de curator. Het doel van het stellen van een termijn is het wegnemen van onzekerheid. Dit is hier niet aan de orde nu de curator de tandarts heeft verzocht om door te werken. De curator moet voor een bereidverklaring tot nakoming van de overeenkomst toestemming aan de rechter-commissaris vragen.

Zekerheidstelling

Door de onuitgesproken bereidverklaring van de curator zijn contractuele aanspraken boedelschuld geworden. Dit geldt voor alle verplichtingen van de schuldenaar die uit de overeenkomst voortvloeien, ook voor zover deze verplichtingen al vóór het faillissement zijn ontstaan. Als de overeenkomst niet was nagekomen dan waren de aanspraken van voor faillissement aan te merken als concurrente vorderingen. De consequentie van stilzwijgende nakoming van de overeenkomst is dat er geen zekerheid is gesteld. In dit geval zal het boedelactief onvoldoende zijn om aan de verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen. Dit zal financiële gevolgen hebben voor de tandarts.

Pro se aansprakelijkheid

Tot slot overweegt het Hof nog dat van persoonlijke aansprakelijkheid van de curator geen sprake is, omdat de curator niet hoefde te weten dat de boedel niet toereikend zou zijn. Er wordt in dat kader niet gesproken over het stellen van vereiste zekerheid. De tandarts zou de werkzaamheden hoe dan ook hebben voortgezet ondanks dat de curator geen zekerheid kon stellen. Daarom kan de curator geen persoonlijk verwijt worden gemaakt.

Dit artikel is geschreven door Anouk de Bert.

Heeft u een vraag over dit artikel?

Bert van Apeldoorn
Advocaat
Expertises: Insolventie, Ondernemingsrecht,